© Beeldbank WO2 / Verzetsmuseum Amsterdam
Het Joodse personeel van de Hollandia-Kattenburgfabriek wordt gedeporteerd
Van de 740 werknemers in dienst van Hollandia-Kattenburg zijn er 367 Joods. In de eerste jaren van de oorlog worden deze mensen en hun families vrijgesteld van deportatie, omdat de Duitse Wehrmacht veel kleding afneemt van Hollandia-Kattenburg.
Generaalcommissaris en SS'er Hanns Rauter is het niet eens met het enorme aantal Joden dat om deze reden vrijstelling van deportatie krijgt. Op 11 november 1942 doet de Grüne Polizei een inval in de fabriek. Alle Joodse werknemers worden gearresteerd. Hun familieleden worden uit hun huizen gehaald. De werknemers en hun familieleden gaan met het zogenaamde ‘Hollandia-Kattenburg-transport’ via kamp Westerbork naar de Duitse concentratiekampen. Slechts acht werknemers keren na de oorlog terug.
De fabriek, die confectiekleding maakt en gespecialiseerd is in regenkleding, is opgericht door de Joodse familie Kattenburg. Sinds 1917 is de fabriek gevestigd aan de Valkenweg in Amsterdam-Noord.
De deportaties
Als begin 1942 de gaskamers in Auschwitz gereed zijn, worden vanuit heel Europa Joden naar dit concentratie- en vernietigingkamp gestuurd. De nazi's organiseren dit onder het mom van 'emigratie' en 'werkverschaffing' in Oost-Europa. In juli begint het verzamelen van Joden in Amsterdam. Ze worden eerst met treinen naar kamp Westerbork in Drenthe gebracht en van daar gaan ze naar de concentratiekampen, meestal in overvolle goederen- of veewagons. Meer dan 100.000 Joden uit Nederland worden zo vermoord.
Meer over dit onderwerp
Meer over dit onderwerp