© Kryn Taconis / Library and Archives Canada
Nol Escher - 'Mijn buurjongen Ernst is net 16 geworden en kan opgepakt worden'
'Mijn buurjongen Ernst is net 16 geworden en kan opgepakt worden, want hij heeft zich natuurlijk niet gemeld voor de Arbeidsdienst. Als er weer eens geruchten in de lucht hangen dat ze alle huizen afgaan om jongens en mannen te halen, dan slaapt hij bij ons op de logeerkamer. Mijn vader heeft een heel groot bureau dat nog van zijn grootvader is geweest. Links en rechts heb je kastjes om papieren in op te bergen. In één van die kastjes past Ernst.
We hebben al een keer geoefend hoe snel hij er in kan komen als er wordt aangebeld. Oom met zijn stopwatch. Ik bonsde op de voordeur, niks, nog eens flink bonzen. Dan wordt er aan het touw getrokken en de voordeur gaat open. Ik snel de trap op, wacht even in het halletje en ga dan de eetkamer in waar het bureau staat. Iedereen kijkt me aan behalve Ernst, want die zit in het bureau. Oom, met een aandachtige blik in de ogen: het moet sneller. Ernst zit daar met zijn knieën tegen de kin en hoofd naar voren. We hebben van alles geprobeerd, ook op z’n knieën en z’n hoofd helemaal omlaag, maar houd dat maar eens een half uur vol, dan loopt je hoofd vol bloed.'
Bron: Fragment uit Nol Escher, Trompetten in de verte: een novelle, samengesteld door Emilie Escher, dochter van auteur Nol Escher.
Nol Escher
Nol Escher is acht jaar als de oorlog uitbreekt. Omdat de kust wordt geëvacueerd verhuist hij van Bentveld, een dorp in de duinen bij Zandvoort, naar Amsterdam. De familie Escher betrekt Kerstmis 1942 een huis op de Noorder Amstellaan 190 waar daarvoor Joodse mensen woonden en keert in juni 1945 weer terug naar Bentveld.
Meer over deze persoon
Meer over deze persoon