© Beeldbank WO2 / Verzetsmuseum Amsterdam
Nol Escher - ‘Ze hebben ze zó gepakt en doodgeschoten’
'Iedere morgen om half negen daal ik de nauwe trap van het bovenhuis af en loop ik via de Ferdinand Bolstraat langs de Weteringschans naar het kleine plantsoen waar mijn school is. Mijn vader volgt altijd dezelfde weg naar het Kantongerecht, maar dan tien minuten eerder. Als ik aan het einde van de Ferdinand Bolstraat loop, trams rijden er allang niet meer, hoor ik het geratel. Even sta ik stil en dan hol ik naar de hoek van de straat, naar de Weteringschans.
Ik hoor om me heen: "Dat is voor die mof die ze gisteren gemold hebben. Ze hebben ze zó gepakt en doodgeschoten." In een stinkende hoop vuilnis zie ik lichamen. Dode mensen. Dan dringt het in alle hevigheid tot me door. Ik hol als in een droom weg van het tafereel, naar het gerecht. In het hokje zit de portier. "Is m’n vader al binnen," hoor ik mezelf uitbrengen. De man schudt het hoofd. "Er is nog niemand," zegt hij. Ik hoor niets en dan hoor ik mezelf schreeuwen van angst. Na een tijd voel ik een hand op mijn schouder en ik kijk in de ogen van een man die ik herken als een collega van mijn vader. "Je vader is hier," zegt hij. En op dat moment zie ik mijn vader binnenkomen. Hij kijkt me vreemd lachend aan. "Ik ben met een omweg hier gekomen," zegt hij. "Er was een represaille. Ga maar naar huis."'
Bron: Fragment uit Nol Escher, Trompetten in de verte: een novelle, samengesteld door Emilie Escher, dochter van auteur Nol Escher.
Nol Escher
Nol Escher is acht jaar als de oorlog uitbreekt. Omdat de kust wordt geëvacueerd verhuist hij van Bentveld, een dorp in de duinen bij Zandvoort, naar Amsterdam. De familie Escher betrekt Kerstmis 1942 een huis op de Noorder Amstellaan 190 waar daarvoor Joodse mensen woonden en keert in juni 1945 weer terug naar Bentveld.
Meer over deze persoon
Meer over deze persoon