Anne Frank

Het korte leven van Anne Frank

De Joodse Anne Frank duikt in WOII onder voor de nazi’s. Na 2 jaar wordt ze ontdekt. In 1945 sterft ze in concentratiekamp Bergen-Belsen.

Bekijk de video

Annes eerste jaren

Anne Frank wordt op 12 juni 1929 geboren in de Duitse stad Frankfurt am Main. Annes zus Margot is ruim drie jaar ouder. Het gaat slecht in Duitsland: er is weinig werk en veel armoede. Tegelijkertijd krijgt Adolf Hitler met zijn partij steeds meer aanhangers. Hitler haat de Joden en geeft hen de schuld van de problemen in het land. Hij speelt in op de antisemitische sentimenten die heersen in Duitsland. Door die Jodenhaat en de slechte economische situatie besluiten Annes ouders, Otto en Edith Frank naar Amsterdam te verhuizen. Otto begint daar een bedrijf dat handelt in pectine, een geleermiddel voor de jambereiding.

Nazi-Duitsland valt Nederland binnen

Anne voelt zich snel thuis in Nederland. Ze leert de taal, vindt vriendinnetjes en gaat naar een Nederlandse school in de buurt. Haar vader werkt hard aan zijn bedrijf, maar het valt het niet mee om een bestaan op te bouwen. Otto probeert een zaak op te zetten in Engeland, maar dat mislukt. Uiteindelijk vindt hij een oplossing door naast pectine ook kruiden en specerijen te gaan verkopen.

Op 1 september 1939, Anne is dan 10 jaar oud, valt nazi-Duitsland Polen binnen: de Tweede Wereldoorlog is begonnen. Niet lang daarna, op 10 mei 1940, vallen de nazi’s ook Nederland binnen. Vijf dagen later geeft het Nederlandse leger zich over. Langzaam maar zeker voeren de bezetters steeds meer wetten en verordeningen in die het leven van Joden moeilijker maken. Onder andere parken, bioscopen en winkels worden verboden terrein voor Joden. Door de regels mag Anne op steeds minder plaatsen komen. Haar vader raakt zijn bedrijf kwijt, omdat Joden geen eigen bedrijf meer mogen hebben. Alle Joodse kinderen, dus ook Anne, moeten naar een aparte, Joodse school.

Anne moet onderduiken in het Achterhuis

Zo gaan de nazi’s telkens een stapje verder. Joden moeten een Jodenster dragen en er gaan geruchten dat alle Joden weg moeten uit Nederland. Als Margot op 5 juli 1942 een oproep krijgt om zich te melden voor werk in nazi-Duitsland, wantrouwen haar ouders dat. Zij geloven niet dat het om werk gaat en besluiten om de volgende dag onder te duiken. Zij gaan zich verbergen om aan de vervolging te ontkomen.  

In het achterhuis van zijn bedrijf aan de Prinsengracht 263 richt Annes vader vanaf het voorjaar van 1942 een schuilplaats in. Hij krijgt hulp van zijn oude collega’s. Niet veel later komen er nog vier onderduikers bij in het Achterhuis. Het is erg krap, Anne moet zachtjes doen en is vaak bang. 

Anne schrijft haar dagboeken

Voor haar dertiende verjaardag, ze is dan nog niet ondergedoken, krijgt Anne een dagboek cadeau. In de twee jaar dat ze onderduikt, schrijft Anne over gebeurtenissen in het Achterhuis, maar ook wat ze voelt en denkt. Daarnaast schrijft ze korte verhalen, begint ze aan een roman en schrijft ze in haar 'Mooie-Zinnen-boek' passages over uit boeken die zij leest. Zo helpt het schrijven haar de dagen door. 

Als de minister van onderwijs van de Nederlandse regering vanuit Engeland via Radio Oranje oproept om oorlogsdagboeken- en documenten te bewaren, brengt dat Anne juist op het idee om haar losse dagboeken te bewerken tot één lopend verhaal. 

De schuilplaats wordt ontdekt 

Anne begint met het herschrijven van haar dagboek, maar nog voor ze klaar is, wordt ze samen met de andere onderduikers op 4 augustus 1944 door politieagenten ontdekt en opgepakt. De politie arresteert ook twee helpers. Tot op de dag van vandaag staat niet vast wat de aanleiding was voor de politie-inval.

Ondanks de inval blijft een deel van Annes geschriften bewaard: twee andere helpers redden de papieren voordat het Achterhuis in opdracht van de nazi’s wordt leeggehaald. 

Anne wordt gedeporteerd naar Auschwitz 

Via het bureau van de Sicherheitsdienst, de Duitse veiligheidspolitie, de gevangenis in Amsterdam en doorgangskamp Westerbork zetten de nazi’s de onderduikers op transport naar concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. De treinreis duurt drie dagen, waarin Anne met ruim duizend anderen dicht op elkaar gepakt zit in veewagons. Er is weinig voedsel en water en slechts een tonnetje als toilet. 

Bij aankomst in Auschwitz keuren nazi-artsen wie wel en wie niet zware dwangarbeid kan verrichten. Ongeveer 350 mensen uit Annes transport worden direct daarna vermoord in de gaskamers. Anne wordt met haar zus en moeder naar het werkkamp voor vrouwen gestuurd. Otto komt in een mannenkamp. 

Anne sterft in Bergen-Belsen

Begin november 1944 moet Anne opnieuw op transport. Samen met haar zus wordt ze naar concentratiekamp Bergen-Belsen gedeporteerd. Haar ouders blijven achter in Auschwitz. Ook in Bergen-Belsen zijn de omstandigheden erbarmelijk: er is bijna geen eten, het is koud en Anne krijgt, net als haar zus, vlektyfus. In februari 1945 overlijden ze allebei aan de gevolgen van die ziekte, eerst Margot, kort daarna Anne. 

Van alle onderduikers in het Achterhuis overleeft alleen Annes vader Otto de oorlog. Hij wordt uit Auschwitz bevrijd door de Russen en hoort tijdens zijn lange terugreis naar Nederland dat zijn vrouw Edith is overleden. In Nederland hoort hij ook dat Anne en Margot niet meer leven. 

Het dagboek van Anne wordt wereldberoemd

De bewaarde dagboekpapieren van Anne maken diepe indruk op Otto. Hij leest dat Anne graag schrijfster of journaliste wilde worden en dat ze van plan was om de verhalen over het leven in het Achterhuis uit te geven. Vrienden overtuigen Otto ervan het dagboek te publiceren en op 25 juni 1947 verschijnt Het Achterhuis in een oplage van 3.000 exemplaren. 

En daar blijft het niet bij: het boek wordt vertaald in zo’n 70 talen, er komt een toneelstuk en een film. Over de hele wereld maken mensen kennis met Annes verhaal en in 1960 wordt de schuilplaats een museum: het Anne Frank Huis. Otto blijft tot zijn dood in 1980 nauw betrokken bij de Anne Frank Stichting en het museum: hij hoopt dat lezers van het dagboek zich bewust worden van de gevaren van discriminatie, racisme en Jodenhaat.