None

De tweede razzia in Amsterdam

Op 11 juni 1941 was de tweede grote razzia in Amsterdam. De nazi’s arresteerden ongeveer 300 jonge Joodse mannen. Otto Frank werd niet opgepakt, maar wel vrienden en buurtgenoten van het Merwedeplein, waar hij al acht jaar woonde.

‘Er waren vrienden van mij bij, jonge mensen, die werden afgevoerd. Na acht dagen kwam het bericht van hun dood, dus je wist precies dat die mensen vermoord werden.’

Rian Verhoeven

De Duits-Joodse Ludwig Jacob, die na de Kristallnacht op zestienjarige leeftijd met een kindertransport naar Nederland was gekomen, kwam vaak naar het Merwedeplein. Daar woonde zijn broer Rudolf met zijn vrouw Ursula en hun zoontje Ralph. Zelf verbleef Ludwig in het Joodse Werkdorp Nieuwesluis in Wieringermeer. Samen met zo’n 300 andere jonge Joodse vluchtelingen volgde hij daar een agrarische opleiding als voorbereiding op een eventuele emigratie naar bijvoorbeeld Palestina of Zuid-Amerika.

Jonge Duitse Joden worden opgevangen op het Merwedeplein

Toen de Duitse bezetter eind maart 1941 het Werkdorp opeens ophief, trok Ludwig in bij zijn broer op het Merwedeplein. Ook andere oud-Werkdorpers vonden op het plein en in de buurt onderdak, vaak bij gastgezinnen. Zo woonde de Duits-Joodse Adolf Gerson Frohmann (28), die in de Wieringermeer leraar was geweest, met zijn vrouw Karola en dochtertje Eva in de portiek naast de familie Frank. Ook de Franks ontfermden zich over een voormalige Werkdorpbewoner: Hermann Wilp. Anne noemt hem "de pleegzoon". Veel jongens uit het Werkdorp kenden elkaar en zochten elkaar op.

Het Werkdorp gaat weer open

Op 11 juni 1941 viel er bij Ludwig en andere mannelijke oud-Werkdorpers die in Amsterdam woonden een bericht van de Joodsche Raad in de bus. Daarin stond dat het Werkdorp Nieuwesluis weer openging en dat de Duitsers hen ’s avonds thuis zouden ophalen. Het bestuur van het Werkdorp en de Joodsche Raad waren blij met het besluit van de Duitse autoriteiten, want in Amsterdam was weinig werk voor de jongeren.

Een paar dagen daarvoor was SD’er Klaus Barbie bij de Joodsche Raad op bezoek geweest om te vragen of zij de oud-bewoners van het Werkdorp een bericht wilden sturen zodat ze niet zouden schrikken als ze werden opgehaald. En kon hij misschien ook een lijst met hun namen en adressen krijgen? De Joodsche Raad vond dat prima. Willy Lages, hoofd van de SD, liet de lijst per buurt uitsplitsen en gaf Amsterdamse politieagenten  opdracht om de jongeren ’s avonds vanaf zeven uur op te halen. Ze kregen steun van de Ordnungspolizei.

Geen werk, maar arrestatie

Aan het begin van de avond belden agenten aan bij de familie Jacob op Merwedeplein 43 om Ludwig op te halen. Toen ze hoorden dat hij er niet was, arresteerden ze zijn broer Rudolf, die wel thuis was. Er bleek helemaal geen sprake te zijn van een terugkeer naar de Wieringermeer; de Joodsche Raad was in de val gelopen. In werkelijkheid hadden de agenten opdracht gekregen om 300 Joden te arresteren, niet alleen oud-Werkdorpers maar ook andere jonge Joodse mannen die ze op de adressen aantroffen.

Adolf Gerson Frohmann, de leraar uit het Werkdorp, geloofde geen woord van het bericht van de Joodsche Raad. Hij zag het als zijn plicht om zoveel mogelijk van zijn oud-leerlingen in de buurt te waarschuwen. Hoewel Adolfs vrouw Karola zei dat hij zich onmiddellijk thuis moest verstoppen, ging hij toch de straat op. Op het plein liep hij in de armen van de politie en werd gearresteerd. Ook zijn buurjongen, de Duits-Joodse kleermaker Fritz Rothstein (19), moest mee.

Razzia’s op straat

Aan de overkant van het plein stond een vijftienjarig meisje verstijfd van schrik op straat met haar fiets aan de hand. Ze zag agenten woningen binnengaan en jongens afvoeren. Ook de Duits-Joodse Richard Guggenheim (20), die was opgevangen door een familie op het plein, werd opgepakt. De politieagenten gingen straat in, straat uit. Omdat ze veel oud-Werkdorpers niet bij hun gastgezinnen aantroffen, hielden ze ook razzia’s op straat.

De agenten stroopten de buurt af op zoek naar jonge Joodse mannen. Bij de Berlagebrug, niet ver van het Merwedeplein, namen ze twaalf leden van roeivereniging Poseidon mee. Sommige Joodse jongens werden op het laatste nippertje gewaarschuwd en maakten zich uit de voeten. Dat geluk had de Duits-Joodse Arnold Heilbut (18) niet. Op de Zuider Amstellaan (nu Rooseveltlaan) werd hij van straat geplukt.

Sicherheitsdienst

De gearresteerde Joden werden naar het gebouw van de Sicherheitsdienst (SD) in de Euterpestraat gebracht, waar ze zich op de binnenplaats in rijen moesten opstellen. Binnen zaten de twee nietsvermoedende voorzitters van de Joodsche Raad. Zij waren eerder die dag bij de SD ontboden om een aantal zaken te bespreken en werden van de buitenwereld afgesloten. Pas ’s avonds vertelde Willy Lages hun dat er als represaille voor een bomaanslag van het verzet Joodse jongens en mannen waren opgepakt. Toen ze het gebouw verlieten, zagen ze de arrestanten en werd hen duidelijk wat er met de oud-werkdorpers was gebeurd. De Joodse jongens en mannen werden daarna overgebracht naar het interneringskamp in het Noord-Hollandse Schoorl.

Paniek en angst

Na de razzia viel er een schaduw over het Merwedeplein. Familieleden, vrienden, buren en bekenden waren van het plein en uit de buurt weggerukt. Waar waren de jongens en mannen? Wat ging er met hen gebeuren? Er heerste grote paniek en de angst dat de agenten terug zouden komen voor meer arrestaties. Ook Otto Frank was aangeslagen, temeer omdat zich onder de gearresteerde jongens en mannen een aantal vrienden bevond.

Pleiten voor vrijlating

Op het Merwedeplein dacht Ursula Jacob-Strelitz koortsachtig na over wat ze kon doen om haar man Rudolf vrij te krijgen uit Kamp Schoorl. Ze schreef de commandant van het interneringskamp een brief waarin ze vroeg om een medisch onderzoek, omdat Rudolf nierproblemen had. Als bewijs stuurde ze een verklaring van Rudolfs behandelend arts mee.

Ursula bepleitte de zaak ook bij andere Duitse autoriteiten en sprak de hoop uit dat haar zoontje niet zonder vader zou blijven. Op een kaart die zij eind juni 1941 per expres aan haar echtgenoot stuurde, schreef zij onder meer:

‘Eet en drink goed, ik doe dat ook zodat ik er altijd voor jou kan zijn en jou kan helpen. Met ons kind gaat het goed. Ik zeg hem altijd dat papa op reis is. Dus laat je onderzoeken, blijf gezond, met veel groeten en kussen, Je trouwe Ursul.’

Maar een paar dagen later kreeg Ursula de kaart terug. ‘VERTROKKEN, RETOUR AFZENDER’ stond er in rode potloodletters op geschreven. Rudolf en de andere mannen waren doorgestuurd naar het concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk. Ursula nam direct een advocaat in de arm om bij de Duitse autoriteiten in Den Haag voor Rudolfs vrijlating te pleiten.

Overlijdensberichten

De ouders en twee broers van Arnold Heilbut waren na de arrestatie ten einde raad. Arnolds moeder was een gebroken vrouw. Op 2 juli ontvingen ze het bericht dat hun zoon en broer op achttienjarige leeftijd in Mauthausen was overleden. Week in, week uit stroomden in Amsterdam de overlijdensberichten binnen, soms wel zeventien op een dag.

Zolang de families van de gearresteerde Joodse jongens en mannen niets hoorden, bleven ze hoop houden. ‘Ik moet hierdoor komen,’ zei Karola Frohmann steeds tegen zichzelf, ‘want als ik de moed verlies zijn mijn dochtertje en ik verloren.’

Berichten uit Mauthausen

Drie maanden na de razzia, op 20 september, werd Ursula Jacob-Strelitz vierentwintig jaar. Haar familie en vrienden waren erg behulpzaam en lief voor haar. Tijdens de Joodse feestdagen zocht Ursula regelmatig troost in de liberaal-Joodse synagoge in de Tolstraat. Ze was erg blij met de twee brieven die ze inmiddels van Rudolf uit Mauthausen had gekregen. ‘Erziehe ihn [Ralph] zu einem tüchtigen Menschen’ [‘Voed hem op tot een kundig mens'] en ‘Lebe dein Leben wie es deiner Jugend zukommt’ [‘Leef zoals jou dat in jouw jeugd toekomt’] had hij onder meer geschreven. Ursula schreef hem op 1 oktober een brief van vier kantjes, waarin ze Rudolf moed insprak.

Half november 1941 vond Ursula een lichtbruine envelop op haar deurmat. Naast haar naam en adres zag ze in de linkerbenedenhoek een paarse stempel met een adelaar en hakenkruis omringd door de tekst WAFFEN-SS, KOMMANDANTUR K.L. MAUTHAUSEN. Een ogenblik later hield ze het overlijdensbericht van Rudolf in haar handen. Ze las dat hij al twee maanden eerder, op 16 september, om zeven uur ’s ochtends was overleden. Haar laatste brief had hem dus nooit bereikt.

Geen steun van niet-Joden

Het contrast met de razzia’s die in februari 1941 in Amsterdam hadden plaatsgevonden, was groot. Toen hadden Amsterdammers uit protest tegen de Jodenvervolging massaal gestaakt, maar in juni 1941 bleef het doodstil in de stad. Omdat de Duitse bezetter de Februaristaking met veel geweld had onderdrukt, zat de schrik er bij de Amsterdamse bevolking goed in. De Amsterdamse verzetskrant Het Parool en andere illegale bladen spraken hun grote afkeer van de razzia van 11 juni uit. Ze riepen ertoe op niet met de Duitsers samen te werken en hen waar mogelijk tegen te werken. Maar de meeste Amsterdammers gaven aan deze oproep geen gehoor.


Onderduikplannen van Otto Frank

Hoewel er na 11 juni geen razzia’s meer plaatsvonden in 1941, waren er wel voortdurend geruchten over op stapel staande acties van de Duitsers die voor enorme paniek zorgden. Otto Frank en andere mannen van het plein brachten uit voorzorg geregeld de nacht door bij niet-Joodse vrienden of collega’s. Vermoedelijk zetten deze gebeurtenissen Otto Frank ertoe aan om na te denken over een ‘echte’ schuilplaats. Nadat de pogingen om naar de VS te emigreren op niets waren uitgelopen, begon hij in het voorjaar van 1942 serieus aan het plan om met zijn gezin in het Achterhuis onder te duiken.

Niemand keerde terug

Van de Joodse mannen die naar Mauthausen werden gedeporteerd, keerde niemand terug. Ursula Jacob-Strelitz en haar zoon Ralph overleefden de oorlog in de onderduik. Ludwig Jacob dook eerst onder in Amsterdam en vluchtte later naar Frankrijk waar hij de bevrijding meemaakte.


Over de auteur

Rian Verhoeven is historica en auteur van Anne Frank was niet alleen. Het Merwedeplein 1933-1945. Zij geeft rondleidingen op en rond het Merwedeplein waarin Anne Frank en haar buurtgenoten centraal staan. Zie www.annefrankwalkingtour.com voor meer informatie.

Noten
  1. Interview dhr. R. Jacob met de auteur, 2016.
  2. Hermann Wilp kan de razzia van 11 juni 1941 ontlopen. Hij wordt in 1943 in Duitsland met zijn familie opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Hermann en zijn vader Adolf overleven het kamp, zijn moeder Frieda en zijn broer Herbert helaas niet.
  3. Interview mw. M. Ohringer met de auteur, 2015.
  4. Archief voorzitters Joodsche Raad, 9 juni 1941, NIOD.
  5. Dr. J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, deel I (Den Haag: Staatsdrukkerij-Martinus Nijhoff, 1965), pp. 123-125, en L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5, eerste band, (Den Haag: Martinus Nijhoff 1974), pp. 548-550 en 560.
  6. Interview mw. E.C. Peer-Frohmann met de auteur, 2018.
  7. Interview mw. J. Plantenga-Jansse met de auteur, 2017.
  8. Dr. J. Presser, Ondergang, deel I (Den Haag, 1965), p. 124.
  9. Postkaart U. Jacob-Strelitz, 23 juni 1941, privécollectie R. Jacob.
  10. Interview mw. E.C. Peer-Frohmann met de auteur, 2018.
  11. Privécollectie R. Jacob.
  12. Ernst Schnabel, Anne Frank,Spur eines Kindes, (Frankfurt am Main: Fischer Bücherei, 1958), p. 65.