None

Hannah Goslar: 'God weet alles, maar Anne weet het beter'

Hannah Goslar was een van de beste vriendinnen van Anne Frank. Ze gingen samen naar de kleuterschool, de lagere school en later naar het Joods Lyceum. Hannah wist niet dat de familie Frank in het Achterhuis ondergedoken zat. Ze wist op dat moment niet beter dan dat Anne en haar familie naar Zwitserland gevlucht waren.

In het concentratiekamp Bergen-Belsen kwam ze Anne weer tegen en sprak met haar voor de laatste keer.

Er bestaan veel overeenkomsten tussen het verhaal van de familie Frank en de familie Goslar. Beide families vluchtten in 1933 uit nazi-Duitsland. Hannah en Anne waren op dat moment allebei vier jaar oud. Beide families woonden op het Merwedeplein in Amsterdam. Hannah: 'Wij woonden op nummer 31. Ik hoefde alleen maar de trap af en de volgende trap weer op naar nummer 37 om naar Anne toe te gaan'.

'Ik vloog in haar armen'

Hannah en Anne gingen naar dezelfde kleuterschol. Hannah vertelt daarover: 'Ik herinner mij nog de eerste dag. Mijn moeder bracht me naar school, ik kende de taal nog niet en mijn moeder was zo bang hoe het zou gaan, hoe ik zou reageren. Maar ik kwam binnen en Anne stond tegenover de deur bij de belletjes en liet ze rinkelen. Ze draaide zich om en ik vloog in haar armen en mijn moeder kon gerust naar huis gaan.'

Hebreeuws

De familie Goslar was een religieus joods gezin, de familie Frank was liberaal. Annes moeder en haar zusje Margot gingen af en toe naar de synagoge, Anne en haar vader zelden. Hannah zegt hierover: 'Anne was gek op haar vader, Margot trok meer naar haar moeder toe.' Hannah ging op zaterdag nooit naar school, vanwege haar geloof, Anne wel. Op zondag wisselden de vriendinnetjes meestal huiswerk uit. Omdat Hannah religieus-joods onderwijs kreeg en Anne niet, waren zij op hun vrije dagen niet altijd samen. Hannah moest op woensdagmiddag en op zondagochtend Hebreeuws leren. Toch kwamen ze veel bij elkaar over de vloer.

'Anne weet het beter'

Anne schrijft in haar dagboek: 'Hanneli Goslar of Lies, zoals ze op school genoemd wordt, is een beetje een eigenaardig kind. Ze is meestal verlegen en thuis erg brutaal, maar bij anderen juist bescheiden. Ze kletst alles wat je haar vertelt aan haar moeder verder. Maar ze heeft een openlijke opinie en vooral de laatste tijd waardeer ik haar zeer.' (Anne Frank, 15 juni 1942) Hannah zegt daar later over: 'Ik was inderdaad een beetje verlegen, ik was zeker niet zoals Anne. Zij was populair, zowel bij de jongens als bij de meisjes. In het middelpunt van de belangstelling staan, vond zij fijn. Anne was eigenwijs. Mijn moeder zei: "God weet alles, maar Anne weet het beter."'

Spelen op kantoor

Hannah kwam ook wel eens in het kantoor van Otto Frank aan de Prinsengracht, de latere onderduikplek van de familie Frank. 'We zijn heel vaak 's zondags met haar vader meegegaan naar het grote kantoor van de firma van mijnheer Frank aan de Prinsengracht – nu het Anne Frank Huis – en daar speelden we. Het achterhuis heb ik toen niet gezien. In iedere kamer van het kantoor was een telefoon, wat ons de gelegenheid gaf om ons favoriete spel te spelen: van de ene kamer naar de andere kamer telefoneren. Dat was een hele belevenis. Soms gooiden wij ook stiekem water op de mensen die beneden op straat liepen en verstopten ons dan snel.'

Naar een speciale joodse school

Hannah omschrijft haar leven tot de Duitse inval in 1940 als 'heel idyllisch.' Ook Anne schrijft later dat het daarna 'bergaf ging met de goede tijden'. De meisjes gaan van kleuterschool naar de lagere Montessorischoool totdat de bezetter vanaf januari 1941 steeds meer anti-joodse maatregelen invoert. Anne en Hannah moeten dan naar een speciale joodse school: 'Toen alle joodse kinderen naar joodse scholen moesten, nam meneer Elte (de directeur) mij en Lies Goslar, na wat heen en weer gepraat, voorwaardelijk aan.' (Anne Frank, 5 juli 1942)

Onvoldoendes

Hannah ziet Anne voorlopig voor de laatste keer tijdens de overhandiging van de rapporten, op 3 juli 1942. Anne noteert in haar dagboek: 'De promotie in de joodse schouwburg is naar wens verlopen, m'n rapport is helemaal niet zo slecht, ik heb één onvoldoende, een vijf voor algebra, verder allemaal zevens, twee achten en twee zessen. (…) Lies is ook overgegaan met een zwaar herexamen voor meetkunde.' Hannah vertelt hierover: 'Op het einde van de eerste klas was er een groot feest. Annes zusje was werkelijk een heel goede leerling. Anne en ik zijn met moeite overgegaan, omdat we niet zo goed waren in wiskunde, en ik herinner mij dat we samen naar huis zijn gegaan en dat ik haar daarna een paar dagen niet heb gezien.'

Naar Zwitserland

In die paar dagen verandert het leven van Anne volkomen. Haar zusje Margot krijgt, op zondag 5 juli 1942, als een van de eersten een oproep om naar een zogenaamd werkkamp te gaan. De familie Frank duikt de volgende dag onder in het Achterhuis, het leegstaande deel van het bedrijfspand van Otto Frank. De familie verspreidt het gerucht dat zij naar Zwitserland gevlucht is. Hannah: 'De fabriek van mijnheer Frank, Opekta, produceerde een middel om jam te maken. De oude pakjes kreeg mijn moeder altijd cadeau. Mijn moeder stuurde mij naar de familie Frank om de weegschaal te halen, want ze wilde jam maken. Het was een mooie dag. Ik ging als gewoonlijk naar hun huis en ik belde en ik belde en ik belde, maar niemand deed open. Nog eens gebeld, ten slotte doet een onderhuurder, meneer Goudsmit open. "Wat wil jij hier, wat kom je doen?" vroeg hij verbaasd. "Ja, ik kom de weegschaal lenen." "Weet je dan niet, dat de hele familie Frank naar Zwitserland is gegaan?" Ik wist van niets. "Waarom?" vroeg ik. Dat wist hij ook niet.'

'Arme Hanneli'

Hannah en haar familie duiken niet onder. Ze heeft een klein zusje en er is een baby op komst. Anne probeert tijdens de onderduik wel op de hoogte te blijven van wat er met haar vriendinnen gebeurt. Zo weet zij dat de baby dood ter wereld komt. 'Ik heb het je geloof ik nog niet verteld, maar Goslars hebben een dode baby, vreselijk is dat, en die arme Hanneli, wat zal ze het druk hebben.' (2 november 1942) Volgens Hannah hebben de volwassenen Anne niet verteld, dat haar moeder tijdens de bevalling is overleden. 'Dat heeft men haar misschien niet durven vertellen.'

Militaire auto's

Anne weet ook wat er in de buitenwereld gebeurt. Zo schrijft zij al op 19 november 1942: 'Avond na avond tuffen de groene of grijze militaire auto's langs. Ze bellen aan elke deur en vragen of er ook joden wonen. Zo ja, moet de hele familie dadelijk mee, zo niet gaan ze weer verder. Niemand kan zich aan zijn lot onttrekken als hij niet gaat schuilen.'

Grote razzia's

Op 20 juni 1943 vond er in Amsterdam-Zuid een grote razzia plaats en werd ook de hele familie Goslar opgepakt. Tot dat moment hadden zij zich nog door gekochte Paraguayaanse paspoorten aan deportatie kunnen onttrekken. Ook het feit dat haar vader tot de erkende Zionisten behoorde had daartoe bijgedragen. Hannah: 'Op die dag begonnen de Duitsers iets nieuws. Ze hadden heel Zuid afgezet, 's ochtends om vijf uur terwijl iedereen sliep. En ze gingen van deur tot deur, belden aan en vroegen: "Wonen hier joden?" "Ja? U krijgt twintig minuten de tijd, neem een rugzak, doe er maximaal 20 kg in en kom vlug naar buiten." Dat was onze buurt, dus ook wij konden gaan inpakken. Geen paspoort of zo hielp. We kregen maar kort de tijd en moesten mee. We dachten echt dat wij naar een werkkamp gingen.'

'Leeft zij nog?'

Ondertussen denkt Anne in haar onderduikplek na over haar vriendin Hannah: 'Gisteravond was ik weer erg verdrietig. Oma en Hanneli kwamen mij weer voor de geest. (…) En Hanneli? Leeft zij nog? Wat doet zij? O God, bescherm haar en breng haar weer naar ons terug. Hanneli, aan jou zie ik steeds hoe mijn lot ook had kunnen zijn. Steeds zie ik mij in jouw plaats.' (29 december 1943) Op dat moment bevindt de familie Goslar zich nog in Westerbork. Daar zullen ze acht maanden blijven, tot 15 februari 1944. De familie Goslar wordt niet naar Auschwitz gedeporteerd, maar naar Bergen-Belsen.

Dramatisch slecht

Een half jaar later belandt ook Anne in Westerbork, in augustus 1944. De onderduikers zijn verraden, ruim twee jaar hebben zij zich aan hun arrestatie kunnen onttrekken. De familie Frank wordt naar Auschwitz gedeporteerd met het laatste transport dat vanuit Nederland vertrekt. Het Sovjet-leger nadert dan echter al de Poolse grens en Anne en Margot worden in oktober 1944 vanuit Auschwitz-Birkenau op transport gesteld naar Bergen-Belsen. Het voormalige speciale kamp wordt een verzamelpunt voor alle joden uit de ontruimde concentratiekampen. De omstandigheden voor de gevangenen zijn dramatisch slecht. Het kamp raakt overbevolkt en er is heel weinig voedsel. Ook breken er steeds meer ziektes uit, zoals tyfus.

Een prikkeldraadversperring

'Op een dag keken wij in de richting waar geen barakken waren en zagen daar opeens heel veel tenten. Het was al vrij koud en wij wisten niet wie in de tenten verbleven. Twee, drie maanden later kwamen er heel erge stormvlagen. Alle tenten zijn toen omgewaaid. Wij kregen diezelfde dag een bevel: onze bedden, die in twee lagen boven elkaar zaten, kregen een derde laag erbij. Wij moesten met twee in een bed slapen en het halve kamp vrijmaken. Toen werd er midden door het kamp een prikkeldraadversperring gevuld met stro aangebracht, zodat we die mensen niet konden zien. Maar het was natuurlijk toch heel dicht bij elkaar, want het kamp was niet groot, en al die mensen uit die tenten werden in de barakken ondergebracht. Ondanks de Duitse wachtposten op de hoge wachttorens probeerden we toch contact te krijgen. Het was natuurlijk streng verboden met die mensen te praten, en als de Duitsers iemand zouden hebben gezien of gehoord, zouden ze direct hebben geschoten. Dus 's nachts ging men daar zo'n beetje proberen, iets op te vangen. Ik ben nooit gegaan, maar we vernamen dat het allemaal mensen uit Polen waren, niet-joden en joden.'

'Kunt u Anne roepen?'

'Een van mijn kennissen, een oudere dame, komt op een dag naar mij toe, dat was misschien een maand later, begin februari: "Weet je, er zijn daar ook Nederlanders, en ik heb mevrouw Van Pels gesproken." Die mevrouw kende haar van vroeger en ze vertelde mij dat Anne daar was. Zij wist heel goed dat ik Anne kende: "Ga jij nu ook maar proberen aan het prikkeldraad te praten." En dat heb ik natuurlijk gedaan. Ik ging 's avonds naast het prikkeldraad staan en begon zo'n beetje te roepen en het was natuurlijk toevallig dat mevrouw Van Pels daar weer was en ik vroeg haar: Kunt u Anne roepen? Ze zegt: "Ja, ja, wacht maar, ik zal Anne wel halen, Margot kan ik niet halen, die is doodziek en ligt in bed.'

'Dat was niet dezelfde Anne'

'Anne kwam aan het prikkeldraad, zien kon ik haar niet, er zat stro tussen het prikkeldraad. De lampen waren niet erg goed. Misschien dat ik een glimpje van een schaduw gezien heb. Dat was niet dezelfde Anne die ik gekend heb. Het was een gebroken meisje. Ik was misschien ook zo, maar het was vreselijk. Zij begon direct te huilen en vertelde mij: "Ik heb geen ouders meer. M'n moeder is dood". Dat klopte, maar dat kon ze niet weten. Edith Frank was begin januari 1945 in Auschwitz aan uitputting gestorven. Anne dacht dat ook haar vader vergast was, maar meneer Frank zag er nog heel jong en gezond uit, en die Duitsers hebben natuurlijk niet gezien hoe oud iedereen was die ze wilden vergassen, maar selecteerden alleen op uiterlijk. Ik denk altijd, als Anne geweten had dat haar vader nog leefde, dan had ze toch veel meer kracht gehad om nog te overleven, want zij is maar heel kort voor het einde gestorven. Het is een zaak van een paar dagen geweest.'

'Wat doe jij hier?'

'Dus stonden we daar, twee jonge meisjes, en we huilden. Ik vertelde haar van mijn moeder, dat wist ze niet, ze wist alleen dat die baby dood was, en ik vertelde van mijn kleine zusje. Ik vertelde dat mijn vader in het ziekenhuis lag. Die is twee weken later overleden, die was ook heel ziek. Zij vertelde dat Margot heel ziek was en ze vertelde me van het onderduiken, want ik was natuurlijk heel benieuwd. Ik vroeg haar: Maar wat doe jij eigenlijk hier, je zou toch in Zwitserland zijn? En toen heeft ze me verteld wat er gebeurd is. Dat ze helemaal niet in Zwitserland was geweest en waarom ze dat verteld hebben, dat iedereen werkelijk gedacht heeft dat ze naar die grootmoeder toe waren.'

‘Ik vertel dit verhaal op scholen. De situatie is omgedraaid. Dat ik overleefd heb en zij niet is wreed toeval.’

Een pakje voor Anne

'Dan zegt ze: "We hebben helemaal niets te eten hier, bijna niets, en we hebben het koud, we hebben helemaal geen kleren en ik ben heel mager en men heeft mij kaalgeschoren." Toen hebben we werkelijk ieder een stukje brood en een kousje en een handschoen, iets wat een beetje warmte geeft en iets te eten verzameld. Ook mijn vriendinnen gaven iets voor Anne. Het lukte mij inderdaad het pakje over de prikkeldraadversperring te gooien. Maar ik hoorde haar schreeuwen en ik roep: "Wat is er gebeurd?" En Anne antwoordde: "Oh, die vrouw, die naast me stond heeft het opgevangen en ze geeft het me niet terug." Toen begon ze natuurlijk te schreeuwen. Ik kalmeerde haar een beetje en zei: "Ik zal het nog een keer proberen, maar weet natuurlijk niet zeker of het lukken zal." We hebben nog een keer afgesproken, twee, drie dagen later, en ik heb werkelijk nog één keer een pakje kunnen overgooien en toen heeft ze het opgevangen, dat is de hoofdzaak.'

Wreed toeval

'Na drie of vier ontmoetingen aan het prikkeldraad heb ik haar niet meer gesproken, omdat de mensen die in Annes kamp waren, weer naar een ander deel van Bergen-Belsen werden overgeplaatst. Dat gebeurde ongeveer op het einde van februari. Ik vertel dit verhaal op scholen. De situatie is omgedraaid. Dat ik overleefd heb en zij niet is wreed toeval.'

Eerder verschenen in het Anne Frank Magazine van 1998.

Literatuur

Anne Frank, mijn beste vriendin: het verhaal van Hanneli Goslar. Verteld door Alison Leslie Gold. Assen: Kluitman, 1999.