Terug

Nederlandse Joden worden beroofd

8 augustus 1941 Amsterdam

Op 8 augustus 1941 opent aan de Sarphatistraat in Amsterdam de Liro-bank. Het lijkt een extra filiaal van de Joodse bank Lippmann Rosenthal & Co. Maar dat is het niet. De bank is een roofbank, opgezet door de nazi’s om geld en waardevolle spullen van Joden te stelen.

De nazi’s nemen veel maatregelen om Joden in Nederland van hun bezit te beroven. Vanaf 8 augustus 1941 moeten Joden al hun geld en tegoeden van meer dan 1000 gulden bij de Liro-bank afgeven. Ze mogen geen rekeningen meer hebben bij andere banken. In september moeten Joden hun grondbezit melden. In mei 1942 moeten ze hun andere waardevolle spullen, zoals sieraden, goud, kunst en antiek inleveren.

Vanaf januari 1942 worden de aandelen van Joden verkocht op de beurs. Ook kunst wordt verkocht of komt in Duitse musea terecht. De opbrengsten komen niet terecht bij de oorspronkelijke eigenaren, maar bij de Liro-bank. In juni 1942 mag aan Joden persoonlijk, of in hun gehele huishouden, niet meer dan 250 gulden loon worden uitbetaald. Wat zij meer verdienen moet op hun rekening bij de Liro-bank worden gezet. In 1943 zegt de Liro-bank levensverzekeringen van Joden op en houdt de uitgekeerde geldsommen zelf.

Met het geld wordt de deportatie van Joden met trams en treinen betaald. Ook de uitbreiding van doorgangskamp Westerbork en de bouw van concentratiekamp Vught worden ermee betaald.

In totaal berooft de Liro-bank de Nederlandse Joden van een enorm bedrag, dat geschat wordt tussen de 325 en 455 miljoen gulden.