In de ochtend van 4 augustus 1944 helpt Otto Frank Peter van Pels met zijn taallessen. Edith is op haar kamer. Dan verschijnen er rechercheurs bij het pand Prinsengracht 263 in Amsterdam. Ze gaan naar het kantoor op de eerste verdieping waar de helpers van de onderduikers werken. De rechercheurs ondervragen Victor Kugler en doorzoeken in zijn bijzijn het gebouw. Ze komen uit bij de ruimte met de draaibare boekenkast en ontdekken de schuilplaats met de onderduikers.
De onderduikers worden samen met helpers Jo Kleiman en Victor Kugler naar de SD-gevangenis aan de Euterpestraat gebracht. Ze worden één voor één verhoord om erachter te komen of ze nog andere adressen weten waar onderduikers zitten. Jo en Victor zwijgen. Otto Frank antwoordt dat zij door de 25 maanden in het achterhuis elk contact met vrienden en kennissen verloren hebben en dus niets weten.
Daarna worden de onderduikers en helpers gescheiden. Johannes Kleiman en Victor Kugler worden naar het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg gebracht, de acht onderduikers naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. De helpers Miep Gies en Bep Voskuijl zijn niet gearresteerd. Na een tijdje gaan ze de lege schuilplaats in. Hier vinden ze Anne’s dagboekpapieren. Deze zijn achtergebleven na de arrestatie. Miep bewaart het dagboek tot na de oorlog.