De Duitse bezetter heeft in oktober 1941 besloten dat Joodse werklozen in werkkampen moeten werken. Veel van hen zijn werkloos geraakt door anti-Joodse maatregelen. De Joodse Raad moet de mannen uitzoeken. Veel mensen proberen er onderuit te komen, maar meestal lukt dit niet.
De werkkampen bestaan al sinds de jaren dertig. De meeste kampen staan in de provincies Groningen, Drente en Overijssel. De Nederlandse regering heeft ze opgericht om werkloze mannen onbruikbaar land geschikt te laten maken voor landbouw. De werkers moeten het land bewerken en wegen aanleggen. Nu worden deze mannen vervangen door Joodse werklozen.
De eerste groep van 905 Joden vertrekt op 10 januari 1942. Omdat de grond stijf bevroren is, kunnen ze de eerste tijd maar weinig doen. Het werk is erg zwaar en de verzorging is slecht. Later moeten ook Joden die nog wel een baan hebben verplicht werken in de kampen. In september 1942 zijn al meer dan 5.000 Joodse mannen naar de werkkampen gestuurd.





