Op 17 januari begint de kampleiding van Auschwitz met het leegmaken van Auschwitz, Auschwitz-Birkenau, Monowitz en de satellietkampen. De SS wil de sporen wissen van de misdaden die het daar heeft begaan. Het Sovjet-leger is vijf dagen eerder door de Duitse linies gebroken en komt steeds dichterbij.
Ongeveer 56.000 gevangenen worden gedwongen te lopen tot ze met een trein of vrachtwagen naar een kamp in Duitsland kunnen worden gebracht. Peter van Pels is een van hen. In slechte kleding lopen ze tientallen tot honderden kilometers in de kou door de sneeuw. De mensen die dit niet volhouden, worden onderweg vermoord. De zieken worden in het kamp achtergelaten.
De SS sloopt delen van Auschwitz-Birkenau. Ze blazen crematoria op en breken barakken af. Vluchtende SS’ers nemen spullen mee die ze van gevangenen hebben gestolen, maar het meeste laten ze achter en verbranden ze. Ze nemen delen van de administratie mee, maar veel papieren worden provisorisch verbrand in de laatste dagen van het kamp.
Otto Frank wordt met andere zieken uitgekozen om neergeschoten te worden, maar doordat het executiepeloton wordt weggeroepen ontkomt hij aan de dood. De SS’ers hebben haast om te vertrekken en op 20 of 21 januari wordt het kamp bijna niet meer bewaakt. Er blijven ongeveer 7000 gevangenen achter. Ze moeten zelf voor hun voedsel zorgen en proberen warm te blijven.






