Vanaf april 1941 moet iedere Nederlander van 15 jaar en ouder een Persoonsbewijs hebben. Dit legitimatiebewijs heeft een pasfoto en een vingerafdruk van de drager en een uniek nummer. Bij Joden worden later grote letters ‘J’ in het document gestempeld, zodat zij als Jood herkenbaar zijn. Vanaf 1 januari 1942 moet iedereen het bij zich dragen.
Voor de Duitse bezetter en de Nederlandse politie is het persoonsbewijs een belangrijk hulpmiddel bij het opsporen van Joden, verzetsmensen en mensen die de verplichte tewerkstelling willen ontlopen. Het is ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacob Lentz. Hij zet ook de bevolkingsadministratie en de registratie van Joden op.
Door het gebruik van speciale inkt, zegels, lijm en papier met een watermerk is het bijna onmogelijk het Persoonsbewijs te vervalsen. Daarnaast kan het unieke nummer van het Persoonsbewijs worden gebruikt om de gegevens te vergelijken met de plaatselijke of landelijke overheidsadministratie.
Zo kan een politieagent zelfs een vrijwel perfecte vervalsing bij grondige controle toch ontdekken. Vervalsen kan alleen als er van een niet bestaand persoon gegevens worden opgeslagen in de centrale administratie. Dan kan er met die gegevens een nieuw persoonsbewijs worden gemaakt. Daarvoor is de medewerking van betrouwbare ambtenaren nodig.
Het perfectionisme van Lentz heeft veel van zijn landgenoten het leven gekost en in grote problemen gebracht.