In januari 1944 wordt het Joodse echtpaar Wittenburg gearresteerd door ‘Jodenjagers’, Nederlandse politieagenten die speciaal op zoek zijn naar ondergedoken Joden. Van het politiebureau gaan ze naar Westerbork. Daarna worden ze naar concentratiekamp Auschwitz-Birkenau gebracht. Heintje, de vrouw, wordt in april 1944 vergast. Haar man Bram wordt in 1945 bevrijd door het leger van de Sovjet-Unie.
In de herfst van 1943 zijn bijna alle Joden uit Nederland gedeporteerd. Er zijn nog wel veel Joden ondergedoken en de nazi’s willen hen graag vinden. Omdat de Nederlandse politie naar hun zin niet genoeg meewerkt richten ze met pro-Duitse politieagenten speciale afdelingen op om Joden op te sporen. Onder die agenten zijn overtuigde antisemieten, die Joden haten, maar ook opportunisten, die vooral geïnteresseerd zijn in de premie die ze voor iedere aangebrachte Jood krijgen en de spullen van de onderduikers en onderduikgevers die ze stiekem meenemen bij invallen.