Eind 1918 zijn veel Duitse burgers de oorlog meer dan zat. Er zijn grote voedseltekorten en in het hele land zijn protesten en demonstraties. De bevolking geeft keizer Wilhelm II de schuld van de oorlog en wil dat hij aftreedt. Ook veel soldaten zijn moe van het vechten en willen dat de oorlog stopt.
Op 9 november 1918 treedt de keizer gedwongen af. Maar niemand weet nog wie de macht moet krijgen. De gevestigde partijen zijn bang dat communistische revolutionairen de macht grijpen. Om dat te voorkomen roept de sociaal-democratische politicus Philipp Scheidemann diezelfde middag nog de republiek uit.
Een paar uur later zegt de communistische leider Karl Liebknecht dat Duitsland nu een ‘vrije socialistische republiek’ is. Daardoor ontstaat er een machtsstrijd tussen de sociaal-democratische partij en de communistische partij.
In januari 1919 bereikt de onrust een hoogtepunt. Linkse arbeiders roepen een algemene staking uit, de Spartacus-opstand. Om een links-radicale revolutie te voorkomen, schakelen de gematigde sociaal-democraten de hulp in van het leger en Freikorpsen. Ze vechten op straat met de revolutionairen. Een Freikorps is een zelfstandige eenheid van vrijwillige soldaten. Zij zijn zowel tegen de communisten als tegen de republiek.
Op 15 januari arresteren leden van een Freikorps de twee leiders van de opstand, Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg. Ze worden mishandeld en vermoord. Hiermee eindigt de opstand, maar het blijft nog maanden onrustig in Duitsland.