Verdieping
None

De geschiedenis van het Achterhuis

Met meer dan een miljoen bezoekers per jaar is het onderduikpand van de familie Frank misschien wel het bekendste pand van Amsterdam. Wie het huis aan de Prinsengracht bezoekt, maakt vooral kennis met het verhaal van Anne Frank. Maar het verhaal van het huis zelf begint al 350 jaar eerder.

Vanaf 1585 bloeit de stad Amsterdam snel op dankzij de grote rol die Nederland speelt in de wereldhandel en de koloniale handel. Het aantal inwoners van Amsterdam groeit in zestig jaar tijd van 50.000 naar 200.000. Het is deze groei in de Gouden Eeuw die leidt tot de bouw van het pand aan de Prinsengracht.

Woonhuizen en pakhuizen aan de gracht

Rond de kleine binnenstad ontstaat een ring van grachten, die worden gebruikt voor het vrachtvervoer. In de panden aan het water slaan handelaren hun voorraden op. Tegelijk is er meer behoefte aan woonruimte. Zo ontstaat in 1635 de Prinsengracht 263: een woonhuis naast twee pakhuizen.   

De grond aan de Amsterdamse grachten is gewild. Veel panden zijn daarom smal en diep. Om meer woon-, werk- en opslagruimte te creëren, worden in de achtertuin van bestaande woonhuizen zogenoemde ‘achterhuizen’ gebouwd. Om daglicht in beide huizen te houden, worden de voor- en achterhuizen vaak verbonden door een gang, maar gescheiden door een binnenplaats.

Het Achterhuis van Anne Frank

Het Achterhuis waar Anne met haar familie onderduikt, stamt uit 1739. Dan wordt, ruim honderd jaar na de bouw van Prinsengracht 263, het bestaande achterhuis huis afgebroken en vervangen door een nieuw, groter achterhuis.

Later vindt nog een verbouwing plaats. Het souterrain wordt vervangen door een ruimte op gelijk niveau met de straat. Door die ingreep wordt het huis geschikt voor bedrijven die naast kantoorruimte ook een opslagplaats of grote werkruimte nodig hebben. Dat is precies wat Otto Frank bijna 200 jaar later voor zijn bedrijf Pectacon zoekt.

De trap naar de geheime ingang van het Achterhuis 

In 1940 huurt Otto Frank het hele pand, voor- en achterhuis, van Pieron, die sinds 1901 de eigenaar. Vanaf dat moment worden de etages niet meer afzonderlijk gebruikt, maar als één geheel. Op de begane grond is de werkplaats van het bedrijf, de twee etages daarboven worden kantoorruimtes en opslagruimte. 

Er is dan een nieuwe verbinding nodig tussen de eerste en tweede etage . Om vanaf de eerste etage de tweede te bereiken, moest je eerst namelijk helemaal terug naar de voordeur en naar buiten gaan. Via een andere toegangsdeur en over een tweede, steile trap kwam je in het Achterhuis. Om dat op te lossen wordt op de eerste verdieping in het voorhuis een trap naar boven gebouwd. Dat is de trap die uitkomt in de ruimte waar later de boekenkast voor de geheime ingang van het Achterhuis wordt geplaatst.

De onderduik in het Achterhuis 

Als Annes zus Margot in 1942 een oproep krijgt om te werken in een Duits kamp, besluit het gezin, dat elders in de stad woont, onmiddellijk onder te duiken in het Achterhuis van het bedrijf. Ze leven daar vooral op de tweede en derde etage. De enige manier om in de onderduikplek te komen, is via de geheime ingang achter de draaibare boekenkast. 

De begane grond en de eerste verdieping van het achterhuis zijn verweven met het bedrijfspand in het voorhuis. Deze ruimtes staan niet direct in verbinding met de onderduikplek, die zich in de bovenliggende verdiepingen van het Achterhuis bevindt. Een achteloze bezoeker van Prinsengracht 263 zal dan ook niet snel vermoeden dat achter de boekenkast nog een heel leven schuilgaat.

Gevaarlijk voor de onderduikers: het Achterhuis wordt verkocht

Ook de familie Pieron, nog steeds de officiële eigenaar van het pand, weet niet dat er onderduikers in het Achterhuis zitten. Een veilige gedachte, want hoe minder mensen het weten, hoe beter. Totdat de familie het pand in 1943 verkoopt voor 14.000 gulden aan een nieuwe eigenaar. 

Anne is bang dat de overname zal leiden tot de ontdekking van de onderduikers. Ze schrijft: ‘Op een morgen kwam de nieuwe huiseigenaar met een architect het huis bezichtigen. Gelukkig was mijnheer Kleiman aanwezig, die de heren alles heeft laten zien, op ons Achterhuis na. Hij had zogenaamd de sleutel van de tussendeur thuis vergeten. De nieuwe huiseigenaar vroeg niet verder. Als hij maar niet terug komt en toch het Achterhuis wil zien, want dan ziet het er lelijk voor ons uit.’ [Anne Frank, B-Versie, 27 februari 1943] Gelukkig voor de onderduikers komt de eigenaar niet terug.

De sloop van het Achterhuis wordt voorkomen 

Maar ruim een jaar later gaat het alsnog mis: het Achterhuis en de onderduikers worden ontdekt. Van de onderduikers overleeft alleen Otto de oorlog. 

Na de bevrijding dreigt het pand aan de Prinsengracht 263 gesloopt te worden, maar als het verhaal van Anne in het Achterhuis steeds meer mensen bereikt, groeit het verzet tegen de sloop. Dat heeft effect: halverwege de jaren ‘50 wordt de sloop voorkomen en kort daarna wordt de Anne Frank Stichting opgericht. Het pand wordt gerestaureerd, waarna op 3 mei 1960 het Anne Frank Huis wordt geopend.