Verdieping
None

Nederland: het hoogste aantal Joodse slachtoffers in West-Europa

Driekwart van de Nederlandse Joden werd vermoord tijdens de Tweede Wereldoorlog. In andere West-Europese landen als België en Frankrijk zijn deze percentages veel lager. Lees hier waardoor deze verschillen zo groot zijn.

Pim Griffioen, Ron Zeller

Na de inval in het Achterhuis op 4 augustus 1944 werden de acht Joodse onderduikers overgebracht naar het doorgangskamp Westerbork. Vandaar vertrok de familie Frank op 3 september 1944 met de laatste trein uit Nederland naar Auschwitz.

Op dat moment waren al meer dan 100.000 Joden uit Nederland weggevoerd, de grote meerderheid naar de concentratie- en vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor. Van de door de nazi’s bezette landen in West-Europa had Nederland de meeste slachtoffers van de Jodenvervolging, zowel percentueel als in absoluut aantal. Hoe is dit te verklaren?

Vergelijking van Nederland met België en Frankrijk 

Joodse bevolking voor de oorlog

Nederland, België en Frankrijk kenden voor 1940 al decennia een parlementaire democratie en een liberale traditie. Er was weliswaar sprake van, veelal bedekt, antisemitisme, maar in deze landen waren al bijna 150 jaar geen wettelijke verschillen tussen Joodse en niet-Joodse burgers. Het percentage Joden op het totaal van de bevolking verschilde nauwelijks en was in alle drie de landen laag: driekwart procent van de Franse en Belgische bevolking en anderhalf procent van de Nederlandse. 

De overgrote meerderheid van de Joodse bevolking in Nederland, ongeveer 85 procent, woonde al eeuwenlang in het land en was vóór 1940 grotendeels geïntegreerd. In België en Frankrijk bestond een groot deel van de Joden uit immigranten uit Oost-Europa en vluchtelingen die in de jaren dertig uit Duitsland waren gekomen. In België ging het daarbij zelfs om meer dan 90 procent van de Joodse bevolking, in Frankrijk was dit ongeveer 50 procent.

Duitse bezetting van Nederland, België en Frankrijk

Op 10 mei 1940 begon de Duitse aanval op Nederland, België en Frankrijk. Na de nederlaag en het begin van de bezetting was het beleid van de Duitsers in deze drie landen in veel opzichten hetzelfde: ze streefden naar samenwerking met de nationale overheden, handhaving van de openbare orde, geleidelijke aanpassing aan de nazipolitiek en een zo soepel mogelijke inschakeling van de economieën ten behoeve van Duitsland.

Dit was tegengesteld aan het door de nazi’s bezette deel van Polen: daar werden vanaf het begin de Poolse autoriteiten bruut opzijgeschoven, werd gewelddadig opgetreden tegen de bevolking en vond een economische plundering plaats.

Samenwerking Franse regering en nazi-Duitsland

In Frankrijk week de situatie in zoverre af van die in Nederland en België, dat na de nederlaag en de wapenstilstand van juni 1940 een groot deel van het land niet door de Duitsers werd bezet. De Franse regering verhuisde van Parijs naar het stadje Vichy in het onbezette zuiden, de zogenoemde ‘vrije zone’.

Onder de nieuwe regeringsleider, maarschalk Philippe Pétain, werden democratie en rechtsstaat grotendeels afgeschaft. Het nieuwe, autoritaire bewind streefde naar samenwerking (collaboratie) met de Duitsers en was bereid zelf alvast een begin te maken met de vervolging van de Joden, ook in de ‘vrije zone’.

De meeste anti-Joodse wetten en maatregelen in Frankrijk werden dan ook niet door de Duitsers, maar door de Franse regering uitgevaardigd. Juist omdat de Franse regering antisemitisch was, dus bereid tot medewerking met de Duitsers, hield ze een vinger in de pap en kon ze de vervolging in een later stadium ook remmen, wanneer ze dat wilde.

De regeringen van Nederland en België gingen aan het begin van de bezetting in ballingschap. Het landsbestuur kwam in handen van de hoogste ambtenaren. Zij kregen de opdracht aan te blijven en in het belang van de bevolking een samenwerking aan te gaan met de bezetter.

Hoe onderscheidde zich de situatie in Nederland van die in België en Frankrijk?

Verschillende bezettingsregimes

Nederland kreeg een civiel bezettingsbestuur dat werd gekenmerkt door een sterke invloed van fanatieke nazi’s en de SS. Zij beschouwden de Nederlanders als een ‘Germaans broedervolk’, dat ze voor het nazisme probeerden te winnen.

Voor de Belgen gold dit minder en voor de Fransen zeker niet. In België en in het bezette deel van Frankrijk kwam een Duits militair bestuur onder leiding van generaals. Zij kwamen op voor de belangen van het leger (de Wehrmacht) en hadden vooral aandacht voor de voorgenomen aanval op het nog niet verslagen Engeland.

In Nederland benoemde Hitler de Oostenrijkse nazi en jurist Arthur Seyss-Inquart tot hoofd van het bezettingsbestuur. Seyss-Inquart was een felle antisemiet en dat gold ook voor zijn belangrijkste medewerkers, zoals Fritz Schmidt (nazipropaganda) en Hanns Rauter (SS en Duitse politie).

Protest in Nederland tegen Jodenvervolging

In alle drie de landen werden weliswaar ongeveer gelijktijdig, in oktober en november 1940, de eerste anti-Joodse wetten en maatregelen uitgevaardigd, maar alleen in Nederland riep dit openlijke protesten op. Onder anderen hoogleraren, studenten en kerken protesteerden tegen het ontslag van Joodse ambtenaren, onder wie docenten aan universiteiten.

In februari 1941 liep de situatie in Nederland in korte tijd uit de hand. Aanleiding waren anti-Joodse rellen in Amsterdam die werden uitgelokt door Nederlandse nationaalsocialisten met heimelijke steun van plaatselijke Duitse autoriteiten. Na een incident met de Duitse politie in een ijssalon met Joodse eigenaren liet SS-politiechef Rauter als represaille ongeveer 400 Joodse mannen oppakken en wegvoeren naar een concentratiekamp.

De zeer gewelddadig uitgevoerde razzia’s, waar veel niet-Joodse Amsterdammers getuige van waren, leidden tot een algemene proteststaking in Amsterdam en omgeving, later bekend geworden als de Februaristaking. De Duitsers werden hierdoor verrast en konden de staking, die zich steeds verder uitbreidde, pas op de tweede dag met geweld onderdrukken.

Hierna ging er geen maand voorbij of de Joden werden door nieuwe verordeningen en maatregelen getroffen. Zij werden steeds verder in een maatschappelijk isolement gedreven en van hun bezittingen beroofd. Mede als gevolg van de Februaristaking probeerde de bezetter openlijk geweld voortaan echter te vermijden.

Joodse Raden

In alle drie de landen werd ook een organisatie aan de Joodse bevolking opgelegd, die vervolgens werd gebruikt voor hun verdere maatschappelijke uitsluiting. In Nederland was dit de Joodse Raad van Amsterdam. Deze was al in februari 1941 op Duits bevel opgericht en kreeg in oktober van dat jaar landelijke reikwijdte.

In België werd deze organisatie in november 1941 door het militair bestuur ingesteld en in Frankrijk kwam deze, onder Duitse druk, ongeveer gelijktijdig tot stand via een wet van de Franse regering. Terwijl deze organisaties in België en Frankrijk tamelijk veel onderhandelingsruimte hadden, was de situatie in Nederland voor de Joden in dit opzicht veel slechter: de Joodse Raad werd gaandeweg geheel ondergeschikt aan de bevelen van de Duitse politie in Amsterdam.

Deportaties in Nederland

Toen in juli 1942 in alle drie de landen de deportaties begonnen, bleek dat de Duitse politie in Nederland hier een bijna volledige zeggenschap over had, grotendeels buiten de rest van het bezettingsbestuur en de Nederlandse autoriteiten om. Voor België gold dit minder en voor Frankrijk helemaal niet. Als gevolg hiervan konden de Duitsers bij de uitvoering van de deportaties in Nederland uitgebreid gebruikmaken van misleiding en bedrog. Zo verstrekten ze tienduizenden voorlopige vrijstellingen, om deze later stap voor stap weer in te trekken.

Op deze manier wist de Duitse politie de Joodse bevolking deel voor deel weg te voeren, zonder dat dit tot veel onderduik of weerstand leidde. Adolf Eichmann, die vanuit Berlijn de deportaties van de Joden in heel Europa organiseerde, was tevreden: de treinen uit Nederland ‘rollten am Anfang, dass man sagen kann, es war eine Pracht’ (‘rolden in het begin, dat men zeggen kan, het was prachtig’).

Vanaf januari 1942 waren steeds meer Joodse mannen naar werkkampen in Nederland gestuurd. Na het begin van de deportaties in juli ontstond aanvankelijk de indruk dat zij niet naar Polen hoefden, omdat zij al in Nederland waren tewerkgesteld. Maar begin oktober 1942 werden deze mannen samen met hun gezinnen, in totaal meer dan 12.000 mensen, in één grote actie opgepakt en bijna allemaal nog diezelfde maand weggevoerd naar Auschwitz.

Hetzelfde gold voor Joodse ziekenhuizen en wees- en ouderenhuizen: zij werden opzettelijk maandenlang door de Duitse politie met rust gelaten, waardoor velen dachten dat ze daar voorlopig veilig waren. Vanaf januari 1943 werden deze echter de een na de ander ontruimd. Net als bij de werkkampen vormden ook deze groepen door isolatie en concentratie vooraf een makkelijke prooi voor de bezetter.

Razzia’s in België

In België maakte de Duitse politie alleen gebruik van brute razzia’s en massale arrestaties. Als reactie hierop probeerden de overgebleven Joden zo snel mogelijk onder te duiken of wisten ze met valse identiteitspapieren op te gaan in de niet-Joodse bevolking. Daarbij speelde de veelal Oost-Europese achtergrond van de Joden een rol: ze waren al eerder voor het antisemitisme in hun geboorteland gevlucht en kenden zowel de methoden als de gruwelijke consequentie van de vervolging.

Eggert Reeder, chef van het militair bestuur in België, rapporteerde in december 1942 naar Berlijn: ‘Die noch im Lande verbliebenen Juden halten sich verborgen, so daß die später geplante Durchführung weiterer Abtransporte sehr schwierig sein wird.’ (‘De nog in het land verblijvende Joden houden zich verborgen, zodat de later geplande uitvoering van verdere transporten zeer moeilijk zal worden.’)

De rol van de Franse Vichy-regering bij de Jodenvervolging.

Terwijl de Nederlandse en Belgische overheden in de loop van 1941 steeds minder te zeggen kregen over de anti-Joodse politiek van de bezetter, bleef de Vichy-regering in Frankrijk een belangrijke rol houden. Dit gold ook en vooral bij de deportaties. Dankzij de Franse regering konden de Duitsers in eerste instantie méér Joden deporteren dan het geval was geweest wanneer ze het alleen hadden moeten doen.

In Frankrijk werden twee op de drie gedeporteerde Joden opgepakt en aan de Duitsers uitgeleverd door de gewone politie van het land zelf; in Nederland was dit bijna één op vier en in België bijna één op zes. Het verschil in het percentage slachtoffers tussen Nederland en België is dus deels te verklaren door een groter aandeel van de Nederlandse politie bij de deportaties.

Vanaf oktober 1942 weigerde de Franse regering door te gaan met het op grote schaal oppakken van Joden om ze voor deportatie uit te leveren. Dit kwam vooral door de hevige protesten van kerken, met name in de ‘vrije zone’. Veel bekendheid kreeg de protestbrief van bisschop Pierre-Marie Théas in Montauban. Hij benadrukte daarin onder andere dat de Joden werden ‘envoyés vers une destination inconnue, avec la perspective des plus graves dangers’ (‘weggevoerd naar een onbekende bestemming met het vooruitzicht van nog ernstiger gevaren’).

Ook de Amerikaanse druk achter de schermen op de Franse regering speelde een rol, evenals de weigering aan Franse kant om - naast immigranten en vluchtelingen - ook Joden met het Franse burgerschap in grote aantallen op te pakken en, later, het ongunstige verloop van de oorlog voor Duitsland.

Dit alles zorgde voor langdurige onderbrekingen van de deportaties in Frankrijk. Kortom, de opportunistische rol van de Vichy-regering verergerde in eerste instantie de situatie van de Joden in Frankrijk, maar door de protesten, veranderende omstandigheden en het intussen opkomende verzet, zouden er uiteindelijk toch minder Franse dan Nederlandse Joden worden weggevoerd.

Verzet, onderduik en hulp aan Joden

In België en Frankrijk kwam het georganiseerd verzet eerder op gang dan in Nederland, net als de hulp aan Joden die probeerden onder te duiken of te ontsnappen. Een belangrijke reden was de invoering van de algemene en verplichte tewerkstelling voor veel Belgen en Fransen in fabrieken in Duitsland in oktober 1942. Deze maatregel veroorzaakte een schokeffect. Veel mensen doken onder of kwamen in verzet.

Het beginnend Joods verzet en de onderduik konden hierdoor tamelijk snel na het begin van de deportaties aansluiting vinden bij het algemeen georganiseerde verzet. Wel lag altijd verraad op de loer en maakten de vervolgers gebruik van verklikkers, die soms een geldelijke beloning kregen voor elke Joodse onderduiker die ze wisten aan te brengen.

In Nederland had de gewelddadige onderdrukking van de Februaristaking in 1941 lange tijd een afschrikwekkend effect. Onderduiknetwerken ontstonden pas ná de grote stakingen van april en mei 1943, toen in dit land de verplichte tewerkstelling van mannen in Duitsland verder werd opgevoerd. Het merendeel van de Nederlandse Joden was toen al opgepakt en weggevoerd.

De verschillen in slachtofferaantallen verklaard

Het hoge aantal en percentage Joodse slachtoffers in Nederland vergeleken met België en Frankrijk, is in de eerste plaats te verklaren door het feit dat de Duitse politie in Nederland de alleenheerschappij kreeg over de organisatie en uitvoering van de deportaties, buiten de rest van het bezettingsbestuur en de autochtone autoriteiten om. Voor België gold dit minder en voor Frankrijk in het geheel niet.

Na de razzia’s en de Februaristaking in 1941 voerde de bezetter de Joden zo onopvallend mogelijk weg, en maakte daarbij gebruik van misleiding en bedrog. Dit in tegenstelling tot wat er in België en Frankrijk gebeurde toen in de zomer van 1942 de deportaties begonnen: hier werden gewelddadige razzia’s uitgevoerd waardoor de overgebleven Joden al snel probeerden onder te duiken of te vluchten.

Een ander belangrijk verschil was de late opkomst van georganiseerd verzet en onderduiknetwerken in Nederland. In België en Frankrijk ontstonden al snel na het begin van de deportaties onderduikmogelijkheden voor Joden door samenwerking tussen Joods en niet-Joods verzet. Van de meer dan 30.000 Joden in Nederland die konden onderduiken of een ontsnappingspoging naar het buitenland ondernamen, werd ongeveer een derde deel – soms na jarenlange onderduik – toch nog verraden of ontdekt en weggevoerd, onder wie de familie Frank.

Toelichting van de auteurs m.b.t. het aantal Joodse slachtoffers uit Nederland

Meestal wordt het aantal van 102.000 slachtoffers en 107.000 gedeporteerden aangehouden. Het aantal van (ongeveer) 104.000 slachtoffers omvat ook de Joodse suïcides in Nederland in de periode mei 1940 tot mei 1945 en degenen die in Duitse gevangenschap in Nederland werden gedood of omkwamen (kamp Amersfoort, kamp Vught, kamp Westerbork, Ellecom, Duitse gevangenissen in Nederland) en van wie een deel een graf kreeg in Nederland.

Ook omvat het degenen die tijdens de onderduik omkwamen en degenen die een ontsnappingspoging via België en Frankrijk richting Zwitserland en/of Spanje ondernamen, maar deze niet overleefden doordat ze in die landen alsnog werden gepakt of bijvoorbeeld de barre tocht over de Pyreneeën naar Spanje niet overleefden.

Toelichting van de auteurs m.b.t. het aantal onderduikers in Nederland

De 30.000 die worden genoemd in dit essay omvat de 28.000 onderduikers en ongeveer 2.000 ontsnappingspogingen naar het buitenland (deze laatste zijn niet met inbegrip van de iets minder dan duizend gevallen van legale emigratie in 1940-1941). Dat van de 28.000 onderduikers er ongeveer “12.000 werden gearresteerd, ruim 42 procent”, lijkt ons aan de te hoge kant.

Afgezien van het feit dat 42 procent van 28.000 gelijk is aan 11.760 (dus geen “ruim” 42 procent), is het genoemde aantal van 12.000 hoogstwaarschijnlijk gebaseerd op het aantal zogenoemde strafgevallen onder de Joden die Westerbork binnenkwamen om via de strafbarak met voorrang weggevoerd te worden.

Echter niet bij al deze 12.000 strafgevallen ging het om opgepakte onderduikers. Er waren er ook onder die niet ondergedoken waren, maar bijvoorbeeld een van de vele anti-Joodse bepalingen (vermeend) hadden overtreden, zoals:

  • het buitenshuis zijn na ingaan van de avondklok voor Joden
  • het niet of onjuist dragen van de Jodenster
  • het betreden van winkels voor boodschappen buiten de voor Joden geldende tijden in de namiddag
  • het zonder geldige reisvergunning reizen 

Kortom, het verschil zit vooral in het feit dat weliswaar de meerderheid van de 12.000 strafgevallen, maar niet allen onder hen, opgepakte onderduikers waren. We blijven er dus bij dat het om ongeveer een derde deel van de onderduikers ging, die als alsnog werden verraden of ontdekt en werden weggevoerd.

Verder is het inderdaad zo dat het bij de aantallen onderduikers om beredeneerde schattingen gaat, omdat betrouwbare, precieze cijfers niet voorhanden zijn, wat weer direct te maken heeft met de geheimzinnige aard van het leven in de 'clandestiniteit' zelf.

Over de auteurs

Pim Griffioen en Ron Zeller zijn historici en de auteurs van het boek Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940–1945: overeenkomsten, verschillen, oorzaken (Amsterdam: Boom Publishers, 2011), finalist van de 2012 Yad Vashem Book Prize for Scholarly Studies. Ook publiceerden zij over dit onderwerp in tal van internationale tijdschriften en bundels.

Literatuur:

  • Griffioen, Pim & Zeller, Ron, "Comparing the Persecution of the Jews in the Netherlands, France and Belgium, 1940–1945: Similarities, Differences, Causes". In: Romijn, Peter e.a., The Persecution of the Jews in the Netherlands, 1940–1945. New Perspectives (Amsterdam: Amsterdam University Press/Vossiuspers, 2012).
  • Griffioen, Pim & Zeller, Ron, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940–1945: overeenkomsten, verschillen, oorzaken (Amsterdam: Boom, 2011).
  • Griffioen, Pim & Zeller, Ron. "Anti-Jewish Policy and Organization of the Deportations in France and the Netherlands, 1940–1944: A Comparative Study". In: Holocaust and Genocide Studies, vol. 20 (2006), no. 3, p. 437-473.
  • Klarsfeld, Serge & Steinberg, Maxime (Red.), "Tätigkeitsbericht nr. 22", 31 december 1942 (over de periode 1 september tot eind december 1942), p. A 39; CDJC doc. nr. CDXCVI-6. In: Die Endlösung der Judenfrage in Belgien: Dokumente (New York: NY & Paris: The Beate Klarsfeld Foundation / CDJC, 1980).
  • Krimp, Renske (samenstelling) & Grüter, Regina (inleiding), De doden tellen. Slachtofferaantallen van de Tweede Wereldoorlog en sindsdien (Amsterdam: Nationaal Comité 4 en 5 mei, 2016, 2e herziene druk).
  • Ministry of Justice of the State of Israel, The Trial of Adolf Eichmann. Record of Proceedings in the District Court of Jerusalem (9 delen). deel 9 (a): Prosecution Documents (op microfiches), T/1432 (21 (Jerusalem: Ministry of Justice of the State of Israel, 1992-1995).
  • Presser, Jacques. Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Dl. 2 (’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij-Martinus Nijhoff, 1965).
  • Théas, Pierre-Marie. Pastorale brief, voorgelezen in de kerken op 30 augustus 1942, Archives Nationales, Paris, AG II 492/CDJC doc. nr. CIX-113, en geciteerd in: Klarsfeld, Serge, Vichy–Auschwitz. Le rôle de Vichy dans la ‘Solution finale de la Question juive’ en France, tome 1: 1942 (Paris: Fayard, 1983).

Zie voor dit onderwerp ook het betreffende hoofdstuk van de EHRI online course in Holocaust Studies.