De hoofdpersonen

Johannes Kleiman

Johannes Kleiman is een van de helpers van de onderduikers en de rechterhand van Otto Frank. Zo brengt Johannes hem op het idee om het Achterhuis in te richten als schuilplaats. Voor de onderduikers is hij een onmisbare, positieve steun. Dit is het verhaal van ‘de opvrolijker’ van het Achterhuis.

Johannes Kleiman maakt begin jaren twintig kennis met Otto Frank, als die een filiaal van de bank van zijn familie in Amsterdam opricht. Johannes is procuratiehouder van dat filiaal, hij mag beslissingen nemen, ook al is hij geen directeur of eigenaar. 

Het bankfiliaal bestaat korte tijd en daarna verliezen de twee elkaar uit het oog, tot Otto in 1933 met zijn gezin naar Nederland verhuist en het bedrijf Opekta begint.

Een schuilplaats

In maart 1941 bepaalt de Duitse bezetter dat joden geen eigen bedrijf meer mogen hebben. Opekta komt onder het Duitse moederbedrijf Pomosin te vallen met Johannes als directeur in plaats van Otto Frank. Het andere bedrijf Pectacon wordt opgeheven op voorstel van Kleiman. Gies & Co zet de activiteiten voort.

Andere anti-joodse maatregelen volgen. Er gaan zelfs geruchten dat alle joden opgepakt zullen worden en in Duitsland moeten werken.

Johannes oppert daarom om een schuilplaats in te richten in een leegstaand gedeelte van het bedrijf, om zo aan deportatie te ontkomen. Als Otto hem om hulp bij de inrichting vraagt, aarzelt hij geen moment. ‘Enkele maanden voor de onderduik hebben we het achterhuis ingericht als woning, waar ze tamelijk goed konden leven’, vertelt Johannes na de oorlog.

Johannes is het aanspreekpunt

In juni 1942 worden de geruchten over aanstaande deportaties van joden steeds sterker. En dan, op zondag 5 juli 1942, krijgt Margot Frank een oproep om zich te melden voor werk in nazi-Duitsland. ‘Ze belden mij ’s middags’, vertelt Johannes, ‘en ’s avonds ben ik naar hen toe gegaan. Toen zeiden wij tegen elkaar dat langer wachten geen zin had.’

Meteen de volgende dag duikt de familie Frank onder. De familie Van Pels volgt een week later. In november 1942 voegt Fritz Pfeffer zich bij de onderduikers in het Achterhuis. 

Johannes Kleiman is hét aanspreekpunt voor de onderduikers als er calamiteiten zijn. Hij zorgt bijvoorbeeld voor bestrijdingsmiddelen bij een vlooienplaag in het Achterhuis. Hij zorgt er ook voor dat de familie in Zwitserland via gecodeerde boodschappen weet dat de familie Frank in veiligheid is.

‘En dan stond zij daar, mager, in haar te kleine kleren, met een wit gezicht, want ze waren al zo lang niet meer buiten geweest...’

Ernstige maagklachten

Soms gaat Johannes in het weekend met zijn vrouw op bezoek bij de onderduikers. Na de oorlog vertelt hij daarover: ‘Als mijn vrouw meekwam, bekeek Anne haar met een haast onaangename nieuwsgierigheid. Ze vroeg ook naar Corrie, onze dochter. Ze wilde weten wat ze deed, wat voor jongensgeschiedenissen er speelden, hoe het bij de hockeyclub was en of Corrie verliefd was. En dan stond zij daar, mager, in haar te kleine kleren, met een wit gezicht, want ze waren al zo lang niet meer buiten geweest, en mijn vrouw nam altijd iets voor haar mee, een paar sandalen of een doek, maar de distributiebonnen waren schaars en voor de zwarte markt hadden wij niet genoeg geld.’

Toch eist de spanning die de geheime hulp aan  de onderduikers met zich meebrengt, ook zijn tol. Johannes sukkelt met zijn gezondheid en kampt met ernstige maagklachten. Helper Miep Gies na de oorlog over een doktersbezoek Johannes: ‘De dokter kon niet vermoeden dat Kleiman, diepbezorgd over de veiligheid van onze ondergedoken vrienden, een uitzonderlijk zware last van spanning en verantwoordelijkheid had getorst.’

‘Als mijnheer Kleiman binnenkomt, gaat de zon op!’

Geen spijt

De onderduikers leven met hem mee. In haar dagboek schrijft Anne: ‘Toch hebben ook we narigheid, het gaat om mijnheer Kleiman. Je weet we houden allemaal erg van hem en hoewel hij altijd ziek is, veel pijn heeft en niet veel eten en lopen mag, is hij toch altijd opgewekt en bewonderenswaardig moedig. “Als mijnheer Kleiman binnenkomt, gaat de zon op!” zei moeder zopas en daarmee heeft ze groot gelijk.’

Als de acht onderduikers in augustus 1944 ontdekt worden, worden ook Johannes en Victor Kugler gearresteerd. Samen worden zij naar een gevangenis gebracht. Otto Frank voelt zich schuldig, maar Johannes stelt meteen hem gerust: ‘Maak je daarover geen zorgen! Ik had de keus en betreur haar niet.’

‘In de nood leert men zijn vrienden kennen’

Johannes en Victor Kugler worden begin september naar het ‘Polizeiliche Durchgangslager Amersfoort’ afgevoerd. Daar scheiden hun wegen. Vanwege zijn slechte gezondheid wordt Johannes – op aandringen van het Rode Kruis - al na een week vrijgelaten. Na zijn terugkeer neemt hij de leiding van het bedrijf over van Miep Gies en Bep Voskuijl.

Na de oorlog keert Otto Frank als enige van de onderduikers terug uit de kampen. Als hij in 1952 naar Basel verhuist, wordt Johannes zijn rechterhand in Amsterdam. Naast zijn werk voor Opekta, leidt hij regelmatig journalisten en andere bezoekers door het Achterhuis en raakt hij intensief betrokken bij de oprichting van de Anne Frank Stichting op 3 mei 1957.

Het belangrijkste doel van die Stichting is het behoud van het Achterhuis. Maar de opening van het Anne Frank Huis op 3 mei 1960 maakt Johannes Kleiman niet meer mee. Hij sterft op 28 januari 1959, achter zijn bureau. Otto Frank spreekt op zijn begrafenis. ‘In de nood leert men zijn vrienden kennen.’

Noten
  1. In: Anne Frank Stichting, Anne Frank House: een museum met een verhaal (Amsterdam: Anne Frank Stichting, 1999), p. 82.
  2. Schnabel, Ernst, Anne Frank: Spur eines Kindes (Frankfurt am Main: Fischer Bücherei, 1958), p. 67
  3. Schnabel, Ernst, Anne Frank: Spur eines Kindes, p. 82
  4. Gies, Miep & Gold, Alison Leslie, Herinneringen aan Anne Frank (Amsterdam: Bakker, 1987, p. 143
  5. Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, De dagboeken van Anne Frank (Amsterdam: Bakker, 2001), B-versie, 10 september 1943.
  6. Schnabel, Ernst, "Anne Frank: haar laatste levensmaanden". In: Het korte leven van Anne Frank (Amsterdam: Contact, 1970), p. 273.
  7. "Hoofdfiguur uit 'Dagboek van Anne Frank' begraven". In: De Telegraaf, 3 februari 1959.