De hoofdpersonen

Fritz Pfeffer

Fritz Pfeffer voegt zich in november 1942 als achtste onderduiker bij de families Frank en Van Pels in het Achterhuis. Als eenling belandt hij tussen twee gezinnen, met de puberende Anne als kamergenoot. Wie was Annes kamergenoot?

Als de nazi’s in 1933 in Duitsland aan de macht komen, heeft Fritz Pfeffer een goedlopende tandartspraktijk in Berlijn. Hij is gescheiden en woont daar met zijn zoontje Werner (6 jaar). Fritz is een strenge vader, die waarde hecht aan discipline. Ook viert hij de Joodse feestdagen en houdt hij zich aan de religieuze voorschriften. 

Na zijn scheiding krijgt  Fritz een relatie met de katholieke Charlotte Kaletta. Charlotte vertelt daarover: ‘Wij woonden in Berlijn. Mijn man was Joods, ik was katholiek. Wij spraken daarover als het ons goed deed en zwegen erover als ons dat goed deed.’

Vlucht naar Amsterdam

Na de Kristallnacht besluiten Fritz en Charlotte uit nazi-Duitsland naar Nederland te vluchten. Het lukt Fritz om zijn zoontje Werner met een ‘Kindertransport’ op de boot naar Engeland te zetten. Zijn broer Ernst neemt daar de zorg voor hem op zich.

In 1940 leert Fritz Otto Frank kennen in Amsterdam en maakt hij deel uit van het gezelschap van vrienden en kennissen - onder wie het echtpaar Van Pels en Jan en Miep Gies - dat op zaterdagmiddagen bij de familie Frank samenkomt.

De achtste onderduiker in het Achterhuis

Als de razzia’s toenemen en steeds meer Joden opgepakt worden, wil Fritz ook onderduiken. Hij vraagt aan Miep Gies of zij misschien een plek weet. De helpers en onderduikers van het Achterhuis besluiten samen dat er plek is voor hem. ‘Geweldig nieuws, we willen een achtste schuiler opnemen!’, schrijft Anne op 10 november 1942 in haar dagboek. 

Fritz Pfeffer valt van de ene verbazing in de andere als hij een week later op de Prinsengracht 263 aankomt. In de eerste plaats omdat de schuilplaats ín het bedrijf is en dat hij daar vervolgens ook nog de families Frank en Van Pels tegenkomt. Hij ging ervan uit dat de familie Frank naar Zwitserland gevlucht was.

“Hij heeft de gewoonte een kwartier lang (...) van z’n hakken op z’n tenen te wiebelen.”

Ruzies en irritaties

Fritz komt bij Anne op de kamer, Margot verhuist naar de kamer van haar ouders. Fritz merkt dat lang niet alles koek en ei is tussen de families in het Achterhuis en probeert volgens Anne te bemiddelen tussen de ruziënde partijen, maar geeft dat ook al snel weer op. 

Het valt niet mee om het kamertje te delen. In haar dagboek beschrijft Anne hoe Fritz op zondagen bidt: ‘Hij heeft de gewoonte een kwartier lang (...) van z’n hakken op z’n tenen te wiebelen. Heen en weer, heen en weer, eindeloos duurt dat en als ik m’n ogen niet dichtknijp word ik er bijkans draaierig van.’

Anne ergert zich trouwens al snel groen en geel aan Fritz. Hij heeft vaak aanmerkingen op haar gedrag en vertelt ook nog eens alles door aan haar moeder. Andersom zal Fritz zich ook regelmatig aan Anne geërgerd hebben. 

Dromen van Zuid-Amerika

Dankzij helpster Miep Gies kunnen Fritz en Charlotte met elkaar in contact blijven. Miep brengt regelmatig pakjes en brieven van Fritz naar Charlotte en omgekeerd. Charlotte woont tijdens de oorlog in Amsterdam en heeft geen idee dat Fritz niet ver van haar ondergedoken zit.  

Fritz besteedt veel tijd aan zijn brieven aan Charlotte, die helaas niet bewaard zijn gebleven. Daarnaast concentreert hij zich op het leren van de Spaanse taal. Zijn grote droom is om na de oorlog  een nieuw bestaan met Charlotte op te bouwen in Zuid-Amerika. 

“Wat heeft die vent aan m’n hart te gaan liggen? Hij is m’n geliefde toch niet!”

Tandarts en arts in het Achterhuis

Voor de onderduikers is het erg handig dat er een tandarts in huis is. Fritz heeft namelijk zijn tas met instrumenten en een tandartsboor meegenomen naar het Achterhuis. In juni 1944 behandelt hij Anne. ‘Ik heb een zeer akelige zenuwbehandeling en nog wel aan een voorste tand. Het heeft al ontzettende pijn gedaan, en het was zelfs zo erg dat Pfeffer dacht, dat ’k van m’n stokje ging. ’t Scheelde niet veel.’

Omdat Fritz ook medicijnen gestudeerd heeft, onderzoekt hij Anne als ze een flinke griep heeft. Anne is daar op z’n zachtst gezegd niet enthousiast over. ‘Het ergste vond ik wel, toen mijnheer Dussel doktertje ging spelen en met z’n pommadehoofd op m’n blote borst ging liggen om de geluiden daarbinnen af te luisteren. (...) Wat heeft die vent aan m’n hart te gaan liggen? Hij is m’n geliefde toch niet!’

Zware dwangarbeid in het concentratiekamp Neuengamme

Na de arrestatie van de onderduikers van het Achterhuis, belandt Fritz Pfeffer samen met de andere onderduikers via doorgangskamp Westerbork in het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz.

Op het perron van Auschwitz-Birkenau delen nazi-artsen Fritz in bij de gevangenen die dwangarbeid moeten verrichten. Vermoedelijk moet Fritz samen met andere gevangenen buiten het kamp wegen aanleggen. Begin november 1944 moet hij weg uit Auschwitz. 

Het is onduidelijk hoe en wanneer Fritz Pfeffer uiteindelijk in concentratiekamp Neuengamme belandt. Zeker is dat de gevangenen in Neuengamme onder erbarmelijke omstandigheden zware dwangarbeid moeten verrichten.

Fritz Pfeffer sterft volgens de kampadministratie op 20 december 1944, als doodsoorzaak wordt ‘enterocolitis’, een darmontsteking, aangegeven. 

Noten
  1. Schnabel, Ernst, Anne Frank: Spur eines Kindes (Frankfurt am Main: Fischer Bücherei, 1958), p. 51
  2. Frank, Anne, "Zondag", verhaaltje, 20 februari 1944. In: Verhaaltjes, en gebeurtenissen uit het Achterhuis ; Cady's leven (Amsterdam: Bakker, 2005).
  3. Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie [NIOD], De dagboeken van Anne Frank (Amsterdam: Bakker, 2001), A-versie, 30 juni 1944.
  4. NIOD, De dagboeken van Anne Frank, B-versie, 22 december 1943.