De hoofdpersonen

Otto Frank

Otto Frank is vooral bekend als vader van Anne. Zonder hem zou Annes dagboek niet gepubliceerd zijn en zonder hem was er geen Anne Frank Huis geweest. Maar Otto Frank is natuurlijk veel meer dan de vader van Anne: hier lees je zijn verhaal.

Otto Frank is de tweede zoon van Michael Frank en Alice Betty Stern. Het gezin woont in Duitsland en is liberaal Joods. De Franks hechten waarde aan Joodse tradities en feestdagen, maar volgen niet alle godsdienstige wetten. 

Vader Michael Frank is de trotse eigenaar van een zakenbank in Frankfurt am Main. Na zijn middelbare school studeert Otto korte tijd kunstgeschiedenis in Heidelberg. Stages bij verschillende banken en Macy’s (New York) volgen. 

Na de plotselinge dood van zijn vader in 1909 keert Otto terug naar Duitsland. Hij werkt onder andere voor een bedrijf dat hoefijzers produceert. In eerste instantie lijkt de Eerste Wereldoorlog aan Otto voorbij te gaan, maar in 1915 gaat hij alsnog in dienst. Hij maakt deel uit van een ‘lichtmesstrupp’, een eenheid die analyseert waar vijandig artillerievuur vandaan komt.

Otto eindigt de oorlog als luitenant en krijgt een onderscheiding. Na zijn terugkeer treedt hij in dienst bij de bank van de familie. 

Weg uit Duitsland

Op 36-jarige leeftijd trouwt Otto met Edith Holländer. Het stel vestigt zich in Frankfurt am Main en krijgt twee dochters, Margot (1926) en Anne (1929). Het zijn mooie jaren, maar de zorgen nemen toe. Duitsland is een land in crisis, het wordt hard geraakt door de wereldwijde economische crisis van 1929 en veel mensen leven in bittere armoede. Hitler en zijn partij spelen in op de gevoelens van onvrede en hun aanhang neemt toe.

‘Het leven in Nederland was na de ervaringen in nazi-Duitsland weer ons eigen leven. Wij konden toen een nieuwe start maken en ons vrij voelen.’

Een nieuwe start in Amsterdam

Begin 1933 hakken Otto en Edith de knoop door. Ze besluiten nazi-Duitsland te verlaten, vanwege zakelijke problemen en het toenemende antisemitisme van Hitler en zijn aanhangers.

In Nederland maakt Otto lange dagen om zijn bedrijf van de grond te krijgen en een bestaan op te bouwen. En ook de ontwikkelingen in nazi-Duitsland blijven reden tot zorg. Vanaf 1937 onderzoekt Otto de mogelijkheden om in Groot-Brittannië een bedrijf op te zetten, maar dat loopt op niets uit. 

Het gaat financieel wat beter als Otto vanaf 1938 naast pectine ook specerijen en kruiden gaat verkopen. Dat tweede bedrijf krijgt de naam Pectacon, Hermann van Pels treedt in dienst en neemt een deel van het werk op zich. 

Maar aan het gevoel van vrijheid komt een abrupt einde, als het Duitse leger in mei 1940 Nederland binnenvalt.

Emigratie is onmogelijk

Vanaf 15 mei 1940 is Nederland een bezet land. De bezetter voert de ene na de andere antisemitische maatregel in. Al snel bepalen de nazi’s dat joden geen eigen bedrijf mogen hebben. Het lukt Otto met behulp van zijn medewerkers en Jan Gies (de man van Miep) om zijn bedrijven uit handen van de bezetter te houden. 

In de loop van 1941 neemt de dreiging toe: Joodse mannen worden tijdens razzia’s opgepakt en afgevoerd naar het concentratiekamp Mauthausen. Onder die mannen zijn vrienden en kennissen van Otto. Na enige tijd komen overlijdensberichten terug. 

Otto zet alles op alles om met hulp van een oud-studiegenoot naar de VS te emigreren om aan de jodenvervolging te ontkomen. Maar het lukt niet om alle benodigde documenten bij elkaar te krijgen en het wordt onmogelijk als de VS bij de oorlog betrokken raakt. Vanaf dat moment gaan de grenzen dicht.

Een schuilplaats 

In het voorjaar van 1942 besluit Otto om een schuilplaats in te richten in een leegstaand gedeelte van zijn bedrijf. Mocht het nodig zijn, dan is daar ruimte voor zijn eigen gezin en voor het gezin van zijn medewerker Hermann van Pels, want er is ruimte voor zeven personen. Otto vraagt zijn naaste medewerkers om hem en zijn gezin te verzorgen, als zij moeten onderduiken. Alle vier zeggen dat toe.  

De schuilplaats is nog niet helemaal klaar als Margot op 5 juli 1942 een oproep krijgt om zich te melden voor een werkkamp in nazi-Duitsland. Toch aarzelen Otto en Edith geen moment: ze vertrekken de volgende ochtend met Margot en Anne naar de Prinsengracht 263.

Het Achterhuis

Vanaf 6 juli 1942 zit Otto ondergedoken in het bedrijfspand aan de Prinsengracht. Na een week volgt het gezin Van Pels en in november 1942 voegt zich nog een achtste onderduiker bij hen, Fritz Pfeffer. 

Uit Annes dagboek blijkt dat Otto zich blijft bekommeren om het reilen en zeilen van het bedrijf. Als zakenrelaties uit Frankfurt voor een bespreking langskomen, gaat hij in de schuilplaats met zijn oor op de vloer liggen, zodat hij kan horen wat in het kantoor eronder besproken wordt. 

Als hij niet bezig is met zakelijke beslommeringen, leest Otto volgens Anne het liefst de boeken van Charles Dickens, met een woordenboek ernaast. Anne: ‘Verder iets Latijn, leest nooit romans, wel graag serieuze en droge beschrijvingen van personen en landen.’

‘We hadden niet voorzien hoeveel problemen er zouden ontstaan door de verschillen in karakter en opvattingen.’

Otto als vredestichter

Otto voelt zich verantwoordelijk voor de sfeer in het Achterhuis en bemiddelt bij de vele grote en kleine ruzies tussen de onderduikers. ‘We hadden gedacht dat het samenwonen met het gezin van mijn partner in onze schuilplaats dit minder eentonig zou maken, maar we hadden niet voorzien hoeveel problemen er zouden ontstaan door de verschillen in karakter en opvattingen.’

In haar dagboek schrijft Anne daarover: ‘Ik duizel van de scheldwoorden die in de laatste maand door dit eerbare huis gevlogen zijn. Vader loopt met opeengeperste lippen rond. Als iemand hem roept, kijkt hij zo schichtig op, alsof hij bang is opnieuw een precaire zaak op te moeten knappen. (...) Eerlijk gezegd vergeet ik af en toe, met wie we ruzie hebben en met welke persoon de verzoening al heeft plaats gehad.’

Helpster Miep Gies herinnert zich Otto in het Achterhuis als ‘de kalmste, de onderwijzer van de kinderen, de meest nuchtere, degene die iedereen in balans hield. Hij was de leider, de baas.’

Otto ziet zijn vrouw en kinderen voor het laatst

Aan de onderduik komt een abrupt einde, als op 4 augustus 1944 Nederlandse agenten, onder aanvoering van SS-Hauptscharführer Karl Josef Silberbauer, totaal onverwacht het Achterhuis binnenvallen. De schuilplaats is ontdekt. Ze arresteren Otto en de andere onderduikers. Otto voelt zich schuldig dat ook Johannes Kleiman en Victor Kugler mee moeten.

Na een paar dagen in de gevangenis worden Otto en de anderen afgevoerd naar doorgangskamp Westerbork. Ze komen terecht in de strafbarak, mannen en vrouwen worden van elkaar gescheiden ondergebracht. Overdag moet Otto werken - wat voor werk is niet bekend - maar ‘s avonds kan hij bij Edith, Margot en Anne zijn.

Na slechts enkele weken in doorgangskamp Westerbork moeten Otto en de anderen mee met de trein naar het oosten. Het is de laatste trein die vanuit Westerbork naar concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau vertrekt. De gevangenen zitten dicht op elkaar gepakt in veewagons, zonder voldoende eten en met een kleine ton als wc.

Na een tocht van drie dagen komt de trein aan in Auschwitz-Birkenau. Op het perron worden mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Het is de laatste keer dat Otto zijn vrouw en kinderen ziet.

Een gewicht van 52 kilo

Na de scheiding op het perron van Auschwitz-Birkenau blijven de mannen uit het Achterhuis bij elkaar. Otto wordt eerst buiten het kamp tewerkgesteld in het ‘Kommando Kiesgrube’ en moet in een grindgroeve werken. Dat grind wordt gebruikt voor bouwprojecten. Daarna belandt hij bij het ‘Kommando Strassenbau’, dat buiten het kamp wegen moet aanleggen. Door de vorst, die het onmogelijk maakt buiten te werken, krijgt Otto uiteindelijk minder zwaar werk: aardappelen schillen. 

Otto heeft veel steun aan Peter van Pels, die via zijn werk op de postafdeling van het kamp af en toe wat extra voedsel kan bemachtigen. Ook vrienden in het kamp steunen hem. Als Otto het een keer niet meer ziet zitten - hij is geslagen - zorgen medegevangenen er met hulp van een Nederlandse arts voor dat hij in de ziekenbarak terecht komt. 

Als de Sovjettroepen steeds dichterbij komen, ontruimt de kampleiding Auschwitz. Wie kan lopen, moet mee. Otto blijft achter in de ziekenbarak. Hij is te zwak, weegt nog maar 52 kilo  en is niet in staat om mee te gaan. 

Otto’s grootste vraag: Zijn Anne en Margot nog in leven?

Otto verwacht dat de achtergebleven gevangenen doodgeschoten zullen worden, maar dat gebeurt niet. Op 27 januari 1945 trekken Sovjettroepen het kamp binnen. Otto beschouwt het als een wonder dat hij leeft. ‘Ik had veel geluk en goede vrienden’, schrijft hij aan zijn moeder op 18 maart. 

Als Otto weer voldoende op krachten is, wil hij niets liever dan terug naar Nederland. Omdat in grote delen van Europa nog gevochten wordt, moet hij een lange omweg maken. In Odessa (toen Sovjet Unie, nu Oekraïne) stapt hij met honderden andere overlevenden op het schip ‘Monowai’, dat koers zet richting Marseille (Frankrijk).

Tijdens die lange reis hoort Otto van Rosa de Winter - zij zat samen met Edith in Auschwitz gevangen - dat zijn vrouw in Auschwitz gestorven is. Vanaf dat moment is al zijn hoop op Anne en Margot gevestigd. Zijn zij nog in leven? Op 3 juni 1945 - tien maanden na zijn arrestatie - is Otto weer terug in Amsterdam. Tot zijn grote opluchting hebben alle helpers van het Achterhuis de oorlog overleefd. Otto trekt in bij Jan en Miep Gies.

‘Ik had geen idee gehad van de diepte van haar gedachten en gevoelens. Ik moest mezelf bekennen dat ik niet geweten had wat zich in haar geest had afgespeeld.’

Otto krijgt het dagboek van Anne

Aan de hoop dat Anne en Margot de concentratiekampen overleefd hebben, komt in juli 1945 een einde. Otto ontmoet de zusters Brilleslijper, die samen met Anne en Margot in Bergen-Belsen gevangen zaten. Zij vertellen hem over hun ellendige laatste levensmaanden en hun dood, als gevolg van ziekte en uitputting. 

Als Miep dit verschrikkelijke nieuws hoort, overhandigt zij Annes dagboeken aan Otto. Eerst kan hij het niet opbrengen om ze te lezen, maar als hij er eenmaal aan begint, wordt hij gegrepen door haar teksten.

Otto typt passages over en laat ze aan familie en vrienden lezen. Sommigen van hen dringen aan op publicatie, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan: zo kort na de oorlog willen de meeste mensen liever vooruit dan terug kijken.

Uiteindelijk vindt Otto een uitgever en twee jaar na de oorlog verschijnt ‘Het Achterhuis’. ‘Wat zou Anne daar trots op geweest zijn als ze dit had meegemaakt,’ schrijft Otto over die eerste uitgave. Al snel volgen vertalingen in het Frans, Duits en Engels.

Amsterdam doet teveel pijn

Ondanks zijn trouwe vrienden en het succes van het dagboek in Nederland is Amsterdam voor Otto teveel verbonden met pijn en verlies. In 1952 verhuist hij naar Bazel (Zwitserland). Een jaar later hertrouwt Otto in Amsterdam met Fritzi Geiringer. Fritzi heeft een dochter Eva, die net als Anne in 1929 geboren is. 

Otto blijft nauw betrokken bij het wel en wee van de Anne Frank Stichting, die is opgericht om het pand Prinsengracht 263 en het Achterhuis te behouden. En is hij uiteraard aanwezig bij de opening van het Anne Frank Huis op 3 mei 1960. Hij spreekt slechts kort, de emoties zijn hem te machtig.

In de daaropvolgende jaren is Otto initiatiefnemer van internationale jeugdconferenties in Amsterdam. Tijdens die conferenties - waarbij hij aanwezig is - discussiëren jongeren over onderwerpen als ‘Is er nog plaats voor godsdienst in de moderne wereld?’ (1966), ‘Jongerenprotest’ (1967) en ‘De jeugd en de mensenrechten’ (1968).

Strijden voor verzoening en mensenrechten

Talloze lezers van Annes dagboek nemen contact op met Otto. Met sommigen van hen ontstaat een jarenlange correspondentie, anderen worden echte vrienden van Otto en Fritzi. Over die brieven schrijft Otto: ‘Aan het eind schrijf ik vaak: “Ik hoop dat Annes boek in je latere leven zal nawerken, zodat je, voor zover dat in je omgeving mogelijk is, zult werken voor toenadering en vrede”.’

Otto sterft op 19 augustus 1980. Kort voor zijn dood zegt hij in een interview: ‘Ik ben nu bijna negentig en mijn krachten nemen langzaam af. Maar de opdracht die ik van Anne heb gekregen, geeft mij steeds weer nieuwe kracht – om te strijden voor verzoening en voor mensenrechten in de gehele wereld.’

Noten
  1. Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie [NIOD], De dagboeken van Anne Frank (Amsterdam: Bakker, 2001), A-versie, 16 mei 1944.
  2. Frank, Otto, "Erinnerungen an Anne" (typoscript, 1968).
  3. NIOD, De dagboeken van Anne Frank, B-versie, 17 oktober 1944.
  4. Gies, Miep & Gold, Alison Leslie, Herinneringen aan Anne Frank (Amsterdam: Bakker, 1987), p. 112.
  5. "Anne Franks Vater: Ich will Versöhnung". In: Welt am Sonntag, 4 februari 1979.